Stilte als ethische handeling

Dit artikel onderzoekt stilte als ethische handeling in de ontmoeting tussen verstaan en verantwoordelijkheid. Vanuit een fenomenologische benadering wordt stilte niet opgevat als afwezigheid van taal, maar als een morele praktijk van aandacht en zorg. Het onderzoek vertrekt bij de hermeneutische traditie van Dilthey, Heidegger en Gadamer en verbindt deze met de ethische wending die Levinas aanbrengt: het gelaat van de Ander dat het verstaan onderbreekt en tot verantwoordelijkheid roept. Aan de hand van drie fenomenologische scènes – de blik, de put en de stoep – wordt getoond hoe stilte zich manifesteert als actieve terughouding, als het moment waarop interpretatie wijkt voor ontvankelijkheid. Deze beschrijvingen worden verder geduid met inzichten van Ricoeur (phronèsis), Derrida (différance), Kearney (gastvrijheid) en Burggraeve (de kleine goedheid).

Zo verschijnt stilte als een vorm van responsieve aanwezigheid waarin de ethische dimensie van luisteren zichtbaar wordt: zorg die niet corrigeert, maar bewaart. Het artikel wil bijdragen aan de hedendaagse discussie over ethiek als relationele kwetsbaarheid en laat zien hoe stilte een handeling van menselijkheid kan zijn in situaties waar spreken tekortschiet.

Inleiding

Er zijn momenten in een gesprek waarop woorden ophouden, maar de ontmoeting niet. Waar stilte geen leemte is, maar een handeling die iets bewaart wat taal te snel zou invullen. In zulke ogenblikken lijkt verstaan zich terug te trekken om iets anders ruimte te geven; iets wat niet begrepen, maar gehoord wil worden.

Dat is waar dit artikel vertrekt. Ervaren gehoordheid is voor mij geen communicatief succes, maar een morele gebeurtenis: iemand werd aangesproken, en bleef aanwezig bij dat appèl. Om zulke momenten te begrijpen, is het niet genoeg te spreken over empathie of gesprekstechniek. Er is een verschuiving nodig van communicatie naar ethiek.

Stilte wordt in deze benadering opgevat als handeling, als de beweging waarmee ik mijn interpretatie opschort, mijn weten even loslaat, en de ander toelaat in zijn eigen vreemdheid. Ze is geen afwezigheid van spreken, maar een vorm van aanwezigheid die zich niet opdringt.

Ik schrijf vanuit een praktijk van luisteren, niet als toeschouwer maar als deelnemer. De ontmoetingen die ik hier beschrijf, hebben zich voorgedaan in mijn werk en mijn leven. Ze zijn niet gekozen om hun exemplarische kracht, maar omdat ze zich bleven melden: ervaringen waarin stilte een morele intensiteit kreeg die ik niet kon reduceren tot routine of techniek.

De beschrijvingen zijn achteraf geschreven, in dialoog met denkers die zich bewogen hebben op het grensvlak van verstaan en ethiek: Gadamer, Levinas, Ricoeur, Derrida, Kearney en Burggraeve. Hun stemmen helpen mij te zien wat er in die stiltes op het spel stond zonder ze te verklaren of af te sluiten. Toch schrijf ik niet vanuit zekerheid. Elke poging om stilte te begrijpen stuit op de verleiding haar te verklaren, en dat is precies wat ik probeer te weerstaan. Wat hier volgt is geen sluitend betoog, maar een zoeken, een manier om bij het niet-weten te blijven zonder het te vullen.

Mijn methode is fenomenologisch, maar in een ethische sleutel. De drie beschrijvingen functioneren als fenomenologische vignetten: ze tonen hoe ethische stilte zich manifesteert in concrete ontmoetingen zonder te streven naar empirische generaliseerbaarheid. Ik probeer niet te bewijzen wat stilte is, maar te tonen hoe zij zich voltrekt. De drie ontmoetingen die volgen, de blik, de put en de stoep, worden gelezen als momenten van appèl: situaties waarin verstaan tijdelijk stokte, en verantwoordelijkheid zichtbaar werd.

De reflecties daarop vormen samen een raamwerk van vier houdingen: adresseren, ruimte, erkennen en responderen. Deze houdingen beschrijven geen stappenplan, maar de morele beweging die stilte mogelijk maakt. Ze vormen het weefsel waarin verstaan en verantwoordelijkheid elkaar raken zonder samen te vallen.

Dit artikel onderzoekt hoe stilte kan worden opgevat als een ethische handeling in de ontmoeting tussen verstaan en verantwoordelijkheid, en beoogt te laten zien dat stilte niet slechts afwezigheid van taal is, maar een morele praktijk van zorg.

Filosofisch kader: van verstaan naar verantwoordelijkheid

Elke ontmoeting begint in het verstaan. Wij zijn wezens die betekenis zoeken, en daarin geworteld zijn in een traditie die al vóór ons spreekt. Wilhelm Dilthey noemde dat het verstaan van het leven: de mens interpreteert zijn wereld om er thuis in te kunnen zijn. Heidegger maakte dit existentieel: verstaan is geen methode, maar een wijze van zijn-in-de wereld. Wie leeft, interpreteert al.

Gadamer bracht daar een diepe nederigheid in aan: verstaan is nooit voltooid. Wij begrijpen altijd vanuit onze eigen horizon, gevormd door geschiedenis, taal en gewoonte. In de dialoog kan die horizon verschuiven, soms samenvallen met die van de Ander, maar nooit helemaal. In dat blijvende verschil ligt juist de mogelijkheid van verstaan. Stilte krijgt bij Gadamer de waarde van maat: zij houdt het gesprek open, behoedt ons voor te snelle afsluiting.

Toch blijft bij hem het vertrouwen dat verstaan uiteindelijk mogelijk is; dat elk misverstaan de belofte van begrip in zich draagt. Levinas zet daar de breuk. Voor hem is de Ander niet iets wat ik kan verstaan, maar iemand die mij aanspreekt nog vóór ik begrijp. Het gelaat van de Ander is geen verschijning binnen mijn horizon, maar datgene wat mijn horizon doorbreekt. Hij schrijft dat het gelaat niet gezien, maar gehoord moet worden: “Gij zult niet doden.” Dat is geen beschrijving, maar een bevel dat mij in mijn vrijheid onderbreekt. Zoals Roger Burggraeve opmerkt, ligt in Levinas’ denken een tegendraadse wending: niet de broeder wordt tot vreemdeling, maar in de vreemdeling verschijnt mijn broeder. De beweging loopt dus niet van nabijheid naar begrip, maar van vreemdheid naar verantwoordelijkheid. Het ethische begint niet bij vertrouwdheid, maar bij ontregeling. Bij het besef dat de Ander nooit samenvalt met mijn beeld van menselijkheid. Juist in die vervreemding ligt de mogelijkheid tot zorg, omdat zij mij uit mijn geruststellende universalisme haalt.

Daarmee verschuift het zwaartepunt van hermeneutiek naar ethiek. Waar Gadamer vraagt: hoe verstaan we elkaar?, vraagt Levinas: wat gebeurt er wanneer ik aangesproken word? De stilte die daar ontstaat, is niet de rust van dialoog, maar de schok van verantwoordelijkheid. Zij is het moment waarin ik mij terughoud, omdat ik geen recht heb op het verhaal van de ander.

Ricoeur probeert die breuk niet te helen, maar te bewoonbaar te maken. Zijn denken over rechtvaardige toe-eigening houdt uitleg en verstaan bijeen: soms vraagt ethiek om uitstel, soms om beslissing. Hij noemt dat phronèsis: praktische wijsheid die weet wanneer te zwijgen en wanneer te spreken. In stilte leeft die dubbele beweging: ik stel uit om niet te reduceren, maar ik handel ook, omdat niet-handelen evenzeer geweld kan zijn.

Derrida radicaliseert dat besef. Betekenis, zegt hij, is nooit aanwezig, altijd verschoven: différance. Elke uitspraak sluit uit, elk begrip laat resten achter die niet gezegd kunnen worden. Stilte is daarom geen tekort, maar een noodzakelijke vorm van zorg. Door niet alles te zeggen, eer ik wat zich onttrekt. In dat uitstel woont waakzaamheid: een ethische gevoeligheid voor wat door taal wordt bedreigd.

Richard Kearney zoekt vervolgens naar een weg tussen hermeneutiek en ethiek. In zijn diacritische hermeneutiek noemt hij gastvrijheid de hermeneutische deugd bij uitstek: ontvangen met onderscheid, nabij zonder toe-eigening. Stilte is hier het drempelwerk van luisteren: ik open de deur, maar houd de grens zichtbaar. Kearney laat zien dat spreken na Levinas mogelijk blijft, mits het spreken het zwijgen niet verraadt.

Roger Burggraeve tenslotte laat zien hoe Levinas’ ethiek zich vertaalt in het concrete, dagelijkse: in wat hij “de stem van subtiele stilte” noemt. Verantwoordelijkheid voltrekt zich daar niet in grootse daden, maar in de kleine goedheid die terloopse, kwetsbare aandacht waarmee iemand de Ander laat bestaan. Stilte is het spoor van aangesproken-zijn: een handeling die zich voltrekt zonder zichzelf te benoemen.

In dit samenspel van denkers wordt duidelijk dat stilte geen lege ruimte is, maar een morele praktijk. Bij Gadamer verschijnt zij als methode, bij Ricoeur als maat, bij Derrida als waakzaamheid, bij Kearney als gastvrijheid, bij Levinas als verantwoordelijkheid, bij Burggraeve als kleine goedheid. Samen vormen zij de filosofische grond waarop de volgende drie ontmoetingen rusten: momenten waarin stilte zich niet laat beschrijven, maar wel laat gebeuren.

Stilte belichaamd

De blik — aarzeling als moreel begin

In Bilbao liep ik op een avond een jonge vrouw tegemoet. Ze liep naast een man, maar haar blik zocht de mijne. Een fractie van een seconde, nauwelijks tijd om te denken, en toch bleef ik staan. Ik draaide mij naar haar toe, niet wetend waarom. Geen woorden, geen gebaar. Alleen die blik, en het vermoeden dat zij iets vroeg wat ik niet kon verstaan.

Er was geen duidelijke reden om te stoppen. En toch voelde ik de schok van aangesproken-zijn, een kort moment waarin ik wist dat ik moest blijven, niet wegkijken, niet voorbijgaan. Toen ik even later doorliep, was er niets gezegd, niets beslist, maar de stilte bleef in mij aanwezig als een vraag die niet verdween.

Pas achteraf begreep ik dat dit het moment was waarop verstaan zich inhield. Mijn eerste impuls was om betekenis te zoeken: wat gebeurde hier, had zij hulp nodig, keek zij toevallig? Maar er was iets in mij dat die interpretatie tegenhield. Zoals Gadamer zegt: onze horizon kan zich openen zonder te versmelten. Ik voelde dat dit niet het moment was om in te vullen, maar om open te laten.

Die aarzeling, dat stilvallen, was een ethisch gebaar. Levinas zou zeggen: het gelaat van de ander had mij onderbroken, nog vóór ik begreep. Haar blik was geen object van interpretatie, maar een appèl, een spreken zonder woorden. In dat appèl ontstond stilte niet als leegte, maar als handeling: de weigering om te duiden wat zich nog niet laat duiden.

Derrida helpt om te begrijpen waarom dat ertoe doet. Elke betekenis die ik eraan zou geven, sluit iets uit, legt iets vast. Stilte werd hier een vorm van zorg: ik liet ruimte voor wat zich niet kon uitspreken. En Kearney zou zeggen: dit was hermeneutische gastvrijheid ontvangen met onderscheid, nabij zonder toe-eigening.

Reflectie: Adresseren en Ruimte

In deze ontmoeting vond de eerste houding plaats: adresseren. Niet als spreken, maar als bereidheid om aangesproken te kunnen worden. Ik stond niet voor haar, maar tegenover haar. Adresseren betekent: erkennen dat ik in relatie ben, nog vóór ik iets zeg. Het is de omkering van initiatief: ik ben niet de zender, ik ben de geadresseerde.

Daaruit groeide de tweede houding: ruimte. Stilte als open plaats waarin geen snelle interpretatie valt, maar waar betekenis mag ademen. Gadamer noemt dat de voorlopigheid van verstaan, Ricoeur zou het de rechtvaardige afstand noemen, Levinas de morele terughoudendheid. In die ruimte bleef de Ander ander. En juist daardoor werd mijn stilte geen passiviteit, maar bewaken, het vasthouden van openheid.

De put — handelen vóór begrip

In Sainte-Maxime liep ik op straat toen ik een vrouw zag die, naar later bleek, haar zoon, een jongen van een jaar of acht, ondersteboven boven in een rioolput hield. Zijn benen staken de lucht in; later hoorde ik dat ze haar verloren sleutel van het hotel probeerde terug te vinden. Zonder na te denken liep ik naar haar toe, pakte de jongen zijn benen en tilde hem omhoog. Het was geen besluit, het gebeurde gewoon.

Pas daarna begreep ik wat er gebeurd was. Het lichaam had eerder geantwoord dan het verstand. Er was geen tijd voor interpretatie, geen taal om op terug te vallen. Handelen kwam vóór begrip.

Levinas beschrijft dit als verantwoordelijkheid vóór vrijheid: het lichaam dat antwoordt nog vóór de wil instemt. In die reflex toont zich iets van wat hij bedoelt met het le dire: het spreken zonder woorden. Stilte was hier geen afwachtend niets, maar een onmiddellijke respons.

Toch komt daarna het hermeneutische nabegrip: Gadamer zou zeggen dat de geschiedenis van verstaan pas achteraf begint. Ricoeur spreekt over phronèsis: praktische wijsheid die de sprong tussen weten en doen overbrugt. Derrida herinnert eraan dat elk handelen voorlopig blijft, dat betekenis pas later neerslaat als sediment van een gebeurtenis.

Burggraeve noemt dit de stem van subtiele stilte: het moment waarop verantwoordelijkheid zich voltrekt zonder dat men zichzelf als handelend ervaart. Het is de kleine goedheid die in de wereld van systemen onopgemerkt blijft, maar waarin ethiek concreet gestalte krijgt.

Reflectie: Erkennen

In dit voorval werd de derde houding zichtbaar: erkennen. Niet het erkennen van kennis, maar van kwetsbaarheid, van de grens van mijn begrijpen. Erkennen betekent: ik zie dat de Ander bestaat buiten mijn categorieën, en dat mijn handelen slechts tijdelijk en gebrekkig antwoord geeft.

Erkennen is ook het moment waarop stilte overgaat in spreken: niet in woorden, maar in gebaar. De handen die tillen, de adem die even stokt, het weten dat dit genoeg is. Ricoeur zou zeggen: hier spreekt de rechtvaardigheid van de context; Kearney zou zeggen: de gastvrijheid die durft in te grijpen zonder te bezitten. Erkennen is de stilte in beweging, het zwijgen dat niet wegkijkt.

De stoep — terughoudendheid als zorg

In Breda zag ik een oudere man midden op een straat staan. Hij keek om zich heen, verward. Ik draaide mij naar hem toe, stak over en vroeg: “Is er iets wat ik voor u kan doen?” Hij vertelde dat hij de weg kwijt was. Ik stelde voor samen naar de stoep te lopen; eenmaal daar vroeg ik opnieuw: “Wat kan ik nu voor u doen?” Hij antwoordde dat ik hem alleen de richting hoefde te wijzen, niet mee te lopen. Ik wees, bleef even staan tot hij veilig liep, en liet hem toen gaan.

Het was een eenvoudig moment, maar het raakte iets wezenlijks. Het vroeg niet om actie, maar om maat. Hoe dichtbij mag ik komen, hoe lang blijf ik? De ethiek van het juiste afstand houden: nabij zonder te overheersen.

Gadamer zou zeggen: hier vond werkelijk verstaan plaats, omdat mijn horizon zich opende zonder te versmelten met de zijne. Levinas zou toevoegen: die terughoudendheid is verantwoordelijkheid, het weigeren om de ander te absorberen. Derrida zou erop wijzen dat juist in die beperking de rechtvaardigheid schuilt: elk gebaar draagt het besef van zijn ontoereikendheid.

Kearney noemt dit het drempelwerk van gastvrijheid: ik ontvang, maar bewaak ook de grens. En Burggraeve zou spreken van de kleine goedheid die zich toont in het laten.

Reflectie: Responderen

Hier verschijnt de vierde houding: responderen. Niet antwoorden in woorden, maar getuigen van aandacht. Responderen is geen initiatief, maar een echo: iets in mij heeft geantwoord op het appèl van de ander, zonder het te willen oplossen.

In dit moment wordt stilte wederkerig, niet symmetrisch, maar resonant. De Ander gaat verder op zijn weg, ik blijf achter met de herinnering aan dat korte gedeelde stuk wereld. Dat is wat Burggraeve bedoelt met verantwoordelijkheid die zich “voorbij de wil” voltrekt: handelen zonder eigendom. Stilte is dan niet het einde van dialoog, maar haar meest zorgvuldige vorm.

Terwijl ik deze ontmoetingen teruglees, merk ik hoe gemakkelijk ik hun betekenis achteraf orden. Misschien is dat onvermijdelijk, maar het schuurt: de neiging om te duiden wat zich juist aan duiding onttrok.

Het raamwerk van stilte als ethische handeling

De vier houdingen: adresseren, ruimte, erkennen, responderen, vormen samen wat ik beschouw als de morele grammatica van stilte. Ze beschrijven hoe ethiek zich voltrekt zonder te worden afgedwongen, hoe verantwoordelijkheid gestalte krijgt in gebaren, blikken en het laten zijn.

In de drie scènes werd zichtbaar dat stilte werk verricht. Om dat werk benoembaar te maken zonder het te reduceren tot techniek, onderscheid ik vier houdingen: adresseren, ruimte, erkennen en responderen.

Het zijn geen stappen, maar manieren van aanwezig zijn. Samen vormen ze de morele grammatica van stilte: vier houdingen die elkaar nodig hebben en elkaar voortdurend voeden.

Adresseren zonder toe-eigenen

Adresseren is de eerste beweging van verantwoordelijkheid. Ik richt mij tot de ander, niet om te bepalen maar om aanwezig te zijn. De aanspreking opent een relatie waarin het risico van macht altijd aanwezig is: wie spreekt, kan bezitten. Daarom vraagt adresseren om zichtbare bescheidenheid. Het gaat niet om spreken tot, maar om aangesproken zijn en dat aanspreken zichtbaar maken.

Adresseren betekent macht loslaten. Ik ben niet de eerste die spreekt, maar degene die antwoordt. In het aangesproken-worden verschuift

initiatief naar ontvankelijkheid. Levinas zou zeggen: ethiek begint wanneer ik mij laat vinden door het gelaat van de ander. Gadamer herkent in die ontvankelijkheid het begin van verstaan: luisteren als het erkennen dat betekenis altijd al vóór mij begonnen is.

Zonder adresseren blijft verantwoordelijkheid abstract; zonder aanspreekbaarheid verwordt stilte tot onverschilligheid.

Ruimte scheppen zonder onttrekken

Ruimte is geen afwezigheid, maar een actieve keuze om niet onmiddellijk te vullen. Zij vraagt om bewust uitstel van interpretatie, zodat de ander zichzelf kan tonen. Die ruimte is tijdelijk en doelgericht; ze veronderstelt betrokkenheid, niet afstand. Onverschilligheid zou even goed een vorm van onttrekking zijn. Ware ruimte is de moed om leegte te verdragen en tegelijk beschikbaar te blijven.

Ruimte is de tweede beweging van zorg. Zij bewaart de opening die adresseren heeft gewekt. Gadamer noemt dit de voorlopigheid van verstaan: begrijpen vraagt om vertraging. Ricoeur spreekt over de rechtvaardige afstand, nabij genoeg om te horen, ver genoeg om niet te bezitten. Derrida voegt toe dat elk spreken uitsluit; ruimte is de morele correctie van die uitsluiting.

Zonder ruimte wordt zorg verstikkend, begrip te snel en aanwezigheid bezitterig. Ruimte is de adem die luisteren draaglijk maakt.

Erkennen zonder romantiseren

Erkennen is het bevestigen van verschil zonder het te verheerlijken. De Ander blijft anders; dat is geen tekort, maar een voorwaarde voor ontmoeting. Romantisering is de omweg waarmee we het verschil alsnog onschadelijk maken. Echte erkenning is preciezer: zien wat de ander nodig heeft zonder projectie, luisteren zonder idealisering.

Erkennen is de derde beweging, het moment waarop stilte zichtbaar wordt als helderheid. Levinas laat zien dat ik de ander nooit volledig kan begrijpen; Ricoeur herinnert eraan dat ethiek niet bestaat zonder oordeel. Erkennen betekent dat ik de spanning tussen weten en niet-

weten uithoud. Ik zie de ander zoals hij is, en besef tegelijk dat dit zien voorlopig blijft.

Erkennen vraagt moed: het erkennen van mijn eigen grens zonder die te sluiten. In deze houding wordt stilte actieve zorg — aandacht die niet oplost, maar bewaart.

Responderen zonder annexeren

Responderen is de overgang van ethiek naar handelen. Antwoord geven betekent iets doen of zeggen dat past bij het appèl van de ander, maar zonder het gesprek te sluiten. Elk antwoord draagt het risico van annexatie: dat mijn reactie het oorspronkelijke appèl overneemt. Responderen zonder annexeren vraagt om handelen met maat; een antwoord dat ruimte laat voor vervolg, voor correctie, voor wederzijdsheid.

Het is de laatste beweging, maar ook een nieuw begin. Wie antwoordt, wekt opnieuw een aanspreking. Levinas noemt dit verantwoordelijkheid vóór vrijheid: het lichaam dat al antwoordt nog vóór het bewustzijn beslist. Ricoeur spreekt over phronèsis: praktische wijsheid die tussen weten en doen balanceert. Burggraeve herkent hierin de kleine goedheid: handelen zonder bezit, nabijheid zonder drang.

Responderen voltooit de zorg van stilte: het doen dat het luisteren niet verbreekt.

Adresseren, ruimte, erkennen en responderen vormen samen een ethische cyclus. Adresseren opent, ruimte bewaart, erkennen verdiept, responderen voltrekt.

Elk draagt de sporen van stilte, elk beschermt de ander tegen te snelle betekenis.Stilte verschijnt hier niet als terugtrekking, maar als actieve zorg. Zij opent ruimte zonder te grijpen en bewaart verschil zonder afstandelijkheid.

In haar ritme: naderen, wachten, zien, handelen, en opnieuw naderen, krijgt menselijkheid vorm.

Slotbeschouwing – Stilte als zorg en toedraaien

Stilte is geen zwijgen. Zwijgen kan afsluiten, kan macht zijn of angst, kan weigering zijn om de ander te horen. Stilte daarentegen is openen, een naar-buiten gekeerde aandacht. Zij draait zich toe naar de Ander, niet weg van hem.

Waar zwijgen het gesprek verbreekt, onderhoudt stilte de relatie. Ze is een handeling van zorgen: het actief aanwezig blijven bij wat zich toont, zonder het te willen oplossen. Zorgen betekent hier niet genezen of repareren, maar het dragen van aandacht. In stilte wend ik mij toe tot de Ander, met het risico geraakt te worden.

Levinas noemt dit de nabijheid van het gelaat: het moment waarop ik niet langer analyseer, maar aangesproken word. Ik draai mij naar het appèl toe. Niet omdat ik weet wat er nodig is, maar omdat ik niet anders kan dan luisteren. Dat toedraaien is het begin van verantwoordelijkheid.

In de hermeneutiek van Gadamer is begrijpen altijd een zich toewenden tot de Ander. Maar bij Levinas krijgt dat toewenden een morele lading: het is geen beweging van kennis, maar van zorg. De stilte waarin ik mij toedraai, is niet neutraal, maar geladen met aandacht en kwetsbaarheid. Zij zegt: ik ben hier, en ik laat jou bestaan.

Zorg en stilte horen bij elkaar als adem en long. De ene zonder de andere verstikt. Stilte zonder zorg is leeg, zorg zonder stilte wordt drukte. De ethiek van stilte is daarom een zich toedraaien met maat: ik ben nabij, maar niet binnendringend. Ik waak, maar ik houd open.

Wanneer ik stil ben in de ontmoeting, ben ik niet onthecht, maar juist uiterst betrokken. Mijn aandacht is gespannen, mijn luisteren actief. In die spanning voltrokken zich de vier houdingen die dit onderzoek onderscheidt:

• In adresseren draait de zorg zich naar buiten: ik erken dat ik word aangesproken.

• In ruimte wordt die zorg behoedzaam: ik houd afstand zodat de ander kan ademen.

• In erkennen verdiept ze zich tot besef: ik zie dat de ander anders is dan mijn verwachting.

• In responderen wordt zorg concreet: ik handel met maat, vanuit een stilte die niet bezwijkt onder onzekerheid.

Zorg is de motor van deze beweging. Zonder zorg zou stilte onverschilligheid worden; zonder stilte zou zorg bezitsdrang worden. Hun samenspel maakt luisteren tot ethische handeling.

Derrida zou zeggen: stilte is het waken over het verschil. Zorg als aandacht voor wat niet in mijn woorden past. Ricoeur voegt toe dat zorg altijd contextueel is, ingebed in tijd en omstandigheden; zij vraagt om oordeel, niet om regel. En bij Kearney zien we dat zorg ook grenswerk is: gastvrijheid die ontvangt én bewaakt.

Burggraeve herkent hierin de logica van de kleine goedheid: zorg die niet uit grootheid komt, maar uit kwetsbaarheid. De mens die zich toedraait, doet dat niet om te redden, maar om nabij te zijn.

Als stilte een vorm van zorg is, dan is zij de menselijke maat van ethiek. Zij herinnert eraan dat verantwoordelijkheid niet begint bij weten, maar bij toewending. De mens die zich toedraait, kiest niet tussen spreken of zwijgen, maar kiest voor aanwezigheid.

In dat toedraaien voltrekt zich de overgang van hermeneutiek naar ethiek. Gadamer leerde ons dat verstaan nooit voltooid is; Levinas laat zien dat ethiek begint waar verstaan stokt. Stilte is de brug: zij maakt het mogelijk om in het onvoltooide te blijven zonder het te willen afronden.

Zij is zorg in haar zuiverste vorm: geen bezitsdrang, geen herstel, maar bewaken van ruimte. Stilte is niet het einde van spreken, maar de grond van elk rechtvaardig woord.

Zo wordt stilte een ethische methode:

• Zij is zorgend luisteren — een toewending tot de Ander.

• Zij is houding — een voortdurend oefenen in terughouding en nabijheid.

• Zij is taal — niet van woorden, maar van aanwezigheid.

In die zin is stilte de plaats waar menselijkheid zichtbaar wordt. Zij laat zien dat zorgen niet begint bij handelen, maar bij aandacht; dat verantwoordelijkheid niet luid spreekt, maar zacht volhardt.

En misschien is dat wat Levinas bedoelde toen hij sprak over de stem van de subtiele stilte: het appèl dat klinkt waar taal ophoudt, en waar de mens zich, in zorg en toedraaien, herinnert wat het is om antwoord te zijn.

Nawoord – In correspondentie met Roger Burggraeve

Na het voltooien van deze tekst ontving ik een brief van Roger Burggraeve.

Zijn woorden bevestigden dat de weg die ik was gegaan, die van een fenomenologie van stilte als ethische handeling, zich inderdaad beweegt binnen het veld van Levinas zonder programmatisch te willen worden.

Hij herinnerde eraan dat Levinas zelf geen systematische ethiek construeerde, maar de zin ervan zocht.

Ethiek ontstaat niet uit concept, maar uit aandacht.

Burggraeve schreef dat “responsieve verantwoordelijkheid” als menselijke zijnswijze voorafgaat aan het concrete handelen, maar dat dit handelen, in zijn fenomenologische concreetheid, wél kan en mag worden beschreven.

In die zin sluit mijn onderzoek aan bij wat hij noemt de “verantwoordelijkheid-door-en-voor-de-ander” als menselijke conditie, die in haar meest dagelijkse vormen zichtbaar wordt als kleine goedheid.

Zijn toelichting over Levinas’ gebruik van visage en face-à-face biedt een taal om preciezer te spreken.In het Hebreeuwse panim, meervoud zonder enkelvoud – bestaat het gelaat slechts in het van-aanschijn-tot-aanschijn.

Alleen in de nabijheid van de Ander word ik werkelijk gelaat. Die gedachte herinnert eraan dat stilte niet de afwezigheid van woorden is, maar de ruimte waarin wederkerigheid kan bestaan: het moment waarop ik mij toedraai, aangesproken en antwoordend tegelijk.

Soms denk ik dat stilte niet geleerd kan worden, alleen herkend. Ook in het schrijven zelf bleef ik aarzelen: hoe vertel je over stilte zonder haar te verbreken? Die aarzeling werd mijn kompas.

Ze verschijnt in een fractie van aandacht, in de trilling tussen horen en begrijpen.

Ik merk het wanneer ik mij naar iemand toe wend en iets in mij besluit niet te weten, alsof zorg eerst ademt en dan pas denkt. De stilte die ik zoek is niet het zwijgen van terugtrekking, maar het luisteren dat aanwezig blijft. Ze vraagt niets, ze troost niet, ze herstelt niet.

Ze wacht.

Ze draait zich toe naar waar het pijn doet. Geen “ik ben hier”, maar me voici: hier ben ik, geroepen, niet uit initiatief maar uit antwoord. Misschien is dat de kern van wat dit artikel heeft willen aanraken: dat stilte een manier van liefhebben is zonder bezit; dat zorgen begint met durven blijven waar woorden tekortschieten; dat de ethiek van het luisteren niet vraagt om grootse gebaren, maar om menselijke maat.

Ik heb geleerd dat stilte niet de grens is van taal, maar haar adem en dat in het toedraaien naar de Ander, even, het onzegbare menselijk wordt.

Literartuurlijst

Burggraeve, Roger. Silence/Stilte. Persoonlijke communicatie, Leuven, 2025.

Burggraeve, Roger. Zien en luisteren. Persoonlijke communicatie, Leuven, 2025.

Burggraeve, Roger. Geen toekomst zonder kleine goedheid: naar genereus samenleven in verantwoordelijkheid vanuit Emmanuel Levinas. De Vrije Uitgevers, 2020

Derrida, Jacques. Schrift en verschil. Amsterdam: Boom, 2000.

Dilthey, Wilhelm. Gesammelte Schriften, Band 5. Leipzig: Teubner, 1924.

Gadamer, Hans-Georg. Waarheid en methode .Uitgeverij Vantilt, 2014.

Heidegger, Martin. Zijn en tijd. Nijmegen: Uitgeverij SUN, tweede druk 2009

Keij, Jan. De filosofie van Emmanuel Levinas. Budel: Damon, 2010.

Kearney, Richard. God die misschien is: een hermeneutiek van religie. Kampen: Kok Agora, 2002.

Levinas, Emmanuel. Totaliteit en Oneindigheid. Baarn: Ambo, 1987. Ricoeur, Paul. Oneself as another. 1995.

Zwiep, Arie W. Tussen tekst en lezer. Zesde, gecorrigeerde druk. Amsterdam: VU University Press, 2025.