Oogcontact en luisteren: waarom “kijk mij aan” soms juist niet helpt
In veel trainingen wordt oogcontact neergezet als een basisregel. Soms hoor je zelfs een vuistregel zoals de “50/70-regel”: kijk iemand ongeveer 50% van de tijd aan terwijl je zelf spreekt, en 70% van de tijd terwijl je luistert. Het idee is dat dit interesse en vertrouwen uitstraalt en de Ander helpt zich gezien te voelen.
En toch: voor mij werkt het vaak anders.
Te veel oogcontact maakt het lastiger om te denken, woorden te vinden, een verhaal te laten ontstaan. Als iemand mij voortdurend aankijkt, voel ik me niet automatisch veiliger of meer begrepen. Ik merk eerder dat mijn aandacht splitst. Ik probeer te spreken, en tegelijk ga ik mezelf reguleren in de blik van de Ander. Mijn zinnen worden minder vrij. Mijn narratief, dat nog moet ontstaan, valt uiteen in fragmenten die vooral proberen te voldoen aan de Ander.
Daarom word ik alert op die ene zin.
“Kijk mij aan.”
Soms wordt het letterlijk gezegd. Vaker hangt het als verwachting in de ruimte. Alsof oogcontact het bewijs is van aandacht, ernst, echtheid. Alsof luisteren pas echt gebeurt als de blik blijft. Ik begrijp heel goed waar die reflex vandaan komt: we willen nabij zijn, we willen elkaar niet kwijtraken, we willen dat de Ander zich gezien weet. Maar juist daarom loont het om te beseffen dat een blik nooit neutraal is.
Een gezicht is informatie. Ogen dragen timing, verwachting, mogelijk oordeel, ook als het niet zo bedoeld is. En wanneer iemand nog zoekend is, kan een constante blik als druk voelen: zeg het goed, wees coherent, maak het af. Dan gebeurt er iets geks: iemand moet tegelijk spreken én zichzelf managen in de blik van de Ander. Dat kan precies het formuleren bemoeilijken dat nodig is om het verhaal überhaupt te laten ontstaan.
Wegkijken is niet automatisch vermijden
Wat ik hierboven beschrijf, wordt in onderzoek naar blikgedrag herkenbaar. In de literatuur over gaze aversion, het wegkijken tijdens nadenken, zie je al langer het idee dat wegkijken vaak functioneel is. Niet per se sociaal, maar cognitief.
In Gaze aversion: a response to cognitive or social difficulty? (Doherty-Sneddon, 2005) wordt gaze aversion beschreven als iets dat vaker optreedt wanneer vragen moeilijker worden en iemand intern moet zoeken. Het is alsof we, door even weg te kijken, visuele prikkels verminderen om denkruimte vrij te maken. Dat wordt later scherper uitgewerkt in Just look away: Gaze aversions as an overt attentional disengagement mechanism (Abeles & Yuval-Greenberg, 2017), waar gaze aversion wordt benaderd als een vorm van “ontkoppeling” die kan helpen bij aandacht en verwerking.
Dat zijn nuchtere woorden voor iets dat je in gesprekken meteen herkent: iemand kijkt even naar beneden of opzij, niet omdat jij niet belangrijk bent, maar omdat het verhaal nog gebouwd moet worden. Als we dat eenmaal zien, wordt de morele reflex “oogcontact = luisteren” ineens minder overtuigend. Oogcontact kan óók betekenen: extra sociale prikkels, extra zelfbewustzijn, extra druk. En dus: minder ruimte voor formuleren.
Oogcontact organiseert het gesprek, het “bewijst” het niet
Daar komt een tweede inzicht bij. Oogcontact is niet alleen een teken van betrokkenheid. Het regelt ook het gesprek: het helpt bij beurtwisseling, timing, monitoring en het herstellen van misverstanden. Dat wordt samengebracht in The Role of Eye Gaze in Regulating Turn Taking in Conversations: A Systematized Review of Methods and Findings (Degutyte & Astell, 2021). De kern daarvan is eenvoudig: gaze doet veel meer dan “laten zien dat je luistert”. Het organiseert hoe gesprekspartners zich tot elkaar verhouden, moment voor moment.
En precies daarom is het riskant om gaze te reduceren tot één simpele maatstaf. Soms helpt oogcontact om af te stemmen. Soms helpt het om te markeren: nu ben jij aan zet. Soms maakt het het juist lastiger om woorden te vinden.
Een studie die het trainingsidee kantelt
Dan is er een studie die deze discussie echt verschuift, omdat ze laat zien wat er in een gesprek gebeurt zonder er meteen morele conclusies aan te hangen.
In Eye contact marks the rise and fall of shared attention in conversation (Wohltjen & Wheatley, 2021) onderzochten de auteurs gesprekken en de mate van synchronie tussen gesprekspartners. Hun bevinding is verrassend helder: oogcontact ontstaat vaak op een moment van hoge synchronie, alsof mensen heel even “op één lijn” zitten. Maar daarna, zodra het oogcontact er is, neemt die synchronie af, tot het moment dat het oogcontact weer wordt verbroken.
Dat betekent niet dat oogcontact “slecht” is. Het betekent wel dat oogcontact niet simpelweg de ingang is naar steeds meer afstemming. Het markeert eerder een piek, waarna het gesprek ruimte nodig heeft voor verschil, voor eigen denken, voor een nieuwe wending. Vanuit die invalshoek klinkt “blijf kijken” ineens minder vanzelfsprekend. Soms is juist het verbreken van oogcontact onderdeel van het gesprek dat weer adem wil halen.
Een ethische verschuiving: van zichtbaarheid naar effect
Hier raakt het aan iets dat mij belangrijk lijkt. Oogcontact is vaak goed bedoeld. Het is een poging om nabij te zijn. Maar ethiek begint niet bij wat we bedoelen, zij begint bij wat ons handelen doet met de Ander. Als oogcontact iemand helpt spreken, helpt blijven, helpt zich gezien voelen, is het waardevol. Als oogcontact iemand laat dichtklappen, laat presteren, of het zoeken naar woorden bemoeilijkt, is het wijs om het zachter te maken.
Daarom wil ik af van het idee dat oogcontact het bewijs is van luisteren. Die gedachte past bij een cultuur die graag checklists wil, zichtbaar gedrag, simpele regels. Maar luisteren is geen zichtbaarheidstest. Luisteren wordt niet beter omdat het er correct uitziet.
Wat als we de maatstaf verplaatsen? Weg van “zag ik eruit als luisteraar?”, naar “kon de Ander spreken?” “kwam er taal?” “bleef ik aanwezig zonder te trekken?”
Ik denk dat daar een volwassen vorm van luisteren begint. Niet in een nieuw trucje, maar in een andere aandacht: waarnemen wat jouw aanwezigheid teweegbrengt. Soms is oogcontact precies goed. Soms is een zachtere blik beter. Soms helpt het zelfs om even weg te kijken en tegelijkertijd duidelijk te maken dat je er bent.
Eén zin kan daarin al veel doen: “Je hoeft me niet aan te kijken om te vertellen.” Dat is geen afstand. Dat is terughoudendheid, zodat de Ander niet hoeft te passen in jouw norm van hoe luisteren eruit hoort te zien.
En dan kom ik uit bij een definitie die voor mij klopt, juist omdat ze zowel ethisch als praktisch is:
Luisteren is relationele terughoudendheid: het vermogen om je eigen behoefte aan bevestiging en controle even op te schorten, en het effect van jouw aanwezigheid te laten voorgaan op je intentie, zodat de Ander niet wordt ingepast in wat jij al aannemelijk vindt of wat binnen jouw interpretatiekader past.
Als we vanuit die definitie naar oogcontact kijken, wordt het vanzelf minder moralistisch. Oogcontact is dan geen plicht, maar een mogelijkheid. Soms opent het. Soms sluit het. En luisteren is het vermogen om dat verschil te merken, moment voor moment.


