Architectuur van het Luisteren - Corine Jansen

Stilte als ethische handeling

Inleiding

Er zijn momenten in een ontmoeting waarop woorden stoppen, maar de ontmoeting zelf doorgaat. Er blijft iets aanwezig, soms scherper dan woorden ooit zouden kunnen zijn. Stilte is dan geen leegte. Het kan een gebaar zijn, een manier om achteruit te treden, zodat wat breekbaar is niet wordt uitgewist door verklaring.

In deze tekst betekent “stilte” niet zwijgen of sprakeloosheid. Het benoemt ethische terughoudendheid: het moment waarop aanwezigheid weigert interpretatie te worden. Het is de keuze, bewust of instinctief, om de Ander niet te snel in te vullen, om wat mij aanspreekt niet te reduceren tot wat ik al weet.

Hier begint dit onderzoek: gehoord worden is voor mij een morele gebeurtenis en niet alleen een communicatief succes. Iemand wordt aangesproken, en iemand blijft bij die oproep. De vertrouwde taal van empathie, rapport of gesprekstechniek reikt niet ver genoeg, omdat wat op het spel staat niet alleen is hoe we communiceren, maar ook hoe we antwoorden.

Stilte is dan een handeling: een beweging om interpretatie op te schorten, het weten losser te maken, en de Ander Ander te laten blijven. Het is een aanwezigheid die niet opdringt.

Ik schrijf vanuit de praktijk, als deelnemer in situaties waar luisteren consequenties heeft. De volgende scènes komen uit mijn leven en werk. Ik koos ze niet als voorbeelden, maar omdat ze terugkeerden, elk met een morele intensiteit die ik niet kon terugbrengen tot routine of techniek.

De beschrijvingen zijn achteraf geschreven, in gesprek met denkers die aan de rand staan van begrip en ethiek: Gadamer, Levinas, Ricoeur, Derrida, Kearney en Burggraeve. Hun stemmen helpen verduidelijken wat er op het spel staat. Ik schrijf niet vanuit zekerheid. Elke poging om “stilte te begrijpen” riskeert het weg te verklaren, en dat wil ik vermijden. Wat volgt is geen conclusie, maar een zoektocht: een manier om bij het niet-weten te blijven, zonder het in te vullen.

De methode is fenomenologisch, met een ethische focus. Drie scènes dienen als vignetten. Ze zoeken geen empirische generalisatie; ze tonen hoe ethische stilte verschijnt in concrete ontmoetingen. De blik, het riool en de stoeprand markeren momenten van oproep, momenten waar begrip struikelde en verantwoordelijkheid zich toonde.

De reflecties hieronder vormen een raamwerk van vier disposities: aanspreken, ruimte maken, erkennen en beantwoorden. Dit zijn geen stappen, maar een morele beweging waarin begrip en verantwoordelijkheid elkaar ontmoeten, zonder te versmelten.

Dit artikel verkent stilte als ethische handeling op de drempel tussen begrip en verantwoordelijkheid, en suggereert dat stilte niet louter de afwezigheid van taal is, maar een praktijk van zorg.

Notitie van de auteur

Dit is een praktijkgebaseerd, fenomenologisch essay. Wanneer ik in deze tekst over “stilte” spreek, bedoel ik niet simpelweg: niets zeggen. Ik bedoel ethische terughoudendheid, een bewuste stap achteruit. Het moment waarop ik mijn neiging opschort om meteen te duiden, in te vullen of te reduceren. Waarop ik de Ander niet te snel maak tot iets dat in mijn eigen kader past.

Aan de hand van drie vignetten onderzoek ik hoe zo’n stilte zich aandient, wat ze opent en wat ze verhindert. Ik kijk daarbij door een hermeneutische lens en vanuit de ethische fenomenologie: wat gebeurt er precies wanneer ik níet ga verklaren, maar blijf bij wat zich toont?

Ik schrijf essayistisch: met aandacht voor het kleine en het concrete, zonder de argumentatie los te laten. Ik wil niet alleen iets zeggen over stilte, maar ook zichtbaar maken waar je op moet letten. Wat ik kan beargumenteren, en wat ik eerst moet opmerken.

Voorgestelde citatie:
Jansen, C. (2026). Stilte als ethische handeling: Een fenomenologische verkenning van begrip, verantwoordelijkheid en zorg [Working paper]. Academia.edu.
DOI: 10.5281/zenodo.1820791

Filosofisch raamwerk: van begrip naar verantwoordelijkheid

Elke ontmoeting begint met een poging tot begrijpen. We zijn wezens die betekenis zoeken, geworteld in een traditie die spreekt vóórdat wijzelf spreken. Martin Heidegger maakte dit existentieel: begrijpen is geen methode maar een wijze van in-de-wereld-zijn. Wie leeft, interpreteert al.

Hans-Georg Gadamer voegt daar een diepe bescheidenheid aan toe. Begrip is nooit compleet. We begrijpen altijd vanuit onze eigen horizon, gevormd door geschiedenis, taal en gewoonte. In dialoog kan die horizon verschuiven, soms dichterbij komen bij de horizon van de Ander, maar nooit geheel samenvallen. Juist in dat blijvende verschil ligt de mogelijkheid van begrip. Stilte functioneert bij Gadamer als maat. Het houdt het gesprek open en waakt tegen een begrijpen dat te snel sluit.

Toch vertrouwt Gadamer erop dat begrip uiteindelijk mogelijk is, dat elk misverstand een belofte van begrip in zich draagt. Emmanuel Levinas doorbreekt dat vertrouwen. Voor hem is de Ander niet iets wat ik kan begrijpen, maar iemand die mij aanspreekt vóórdat ik begrijp. Het gezicht van de Ander is geen fenomeen binnen mijn horizon; het doorbreekt die horizon. Levinas schrijft dat het gezicht niet gezien moet worden maar gehoord: “Gij zult niet doden.” Dit is geen beschrijving maar een imperatief die mijn vrijheid onderbreekt.

Roger Burggraeve laat zien dat Levinas hier een paradoxale omkering introduceert. Het is niet de broeder die vreemdeling wordt, maar in de vreemdeling verschijnt mijn broeder. De beweging loopt niet van vertrouwdheid naar begrip, maar van vreemdheid naar verantwoordelijkheid. Het ethische begint niet in het comfort van het bekende, maar in desoriëntatie, in het besef dat de Ander nooit samenvalt met mijn beeld van menselijkheid. Juist daar ligt de mogelijkheid van zorg. Ik word uit een sussend universalisme gehaald.

Het zwaartepunt verschuift dus van hermeneutiek naar ethiek. Waar Gadamer vraagt “Hoe begrijpen we elkaar?”, vraagt Levinas “Wat gebeurt er als ik aangesproken word?” De stilte die hier ontstaat is niet de rust van dialoog. Het is de schok van verantwoordelijkheid: het moment waarop ik me inhoud omdat ik geen recht heb het verhaal van de Ander te bezitten.

Paul Ricoeur probeert deze breuk niet te helen, maar bewoonbaar te maken. Zijn denken over rechtvaardige toe-eigening houdt verklaring en begrip samen. Soms vraagt ethiek om uitstel, soms om beslissing. Hij noemt dit phronèsis: praktische wijsheid die weet wanneer stilte geboden is en wanneer spreken. In stilte leeft deze dubbele beweging: ik stel uit om niet te reduceren, en ik handel ook, omdat niet-handelen eveneens een vorm van schade kan zijn.

Jacques Derrida radicaliseert dit punt. Betekenis is nooit eenvoudigweg aanwezig; ze is altijd uitgesteld, différance. Elke bewering sluit uit, elk concept laat een rest achter die zich aan zeggen onttrekt. Stilte is dan geen tekort maar een noodzakelijke vorm van zorg. Door niet alles te zeggen, eer ik wat zich terugtrekt. In dat uitstel woont waakzaamheid, een ethische gevoeligheid voor de bedreigingen die de taal met zich meebrengt.

Richard Kearney zoekt een weg tussen hermeneutiek en ethiek. In zijn diacritische hermeneutiek noemt hij gastvrijheid de hermeneutische deugd bij uitstek: ontvangen met onderscheidingsvermogen, naderen zonder toe-eigening. Stilte is hier het drempelwerk van het luisteren. Ik open de deur terwijl ik de grens zichtbaar houd. Kearney laat zien dat spreken na Levinas mogelijk blijft, op voorwaarde dat het de stilte niet verraadt.

Ten slotte toont Roger Burggraeve hoe de ethiek van Levinas vlees wordt in het alledaagse. Hij noemt dit de “stem van een subtiele stilte.” Verantwoordelijkheid wordt niet in grote gebaren voltrokken, maar in kleine goedheid, in de toevallige, kwetsbare aandacht waarmee je de Ander laat bestaan. Stilte is de spoor van aangesproken-zijn, een handeling die zich voltrekt zonder zichzelf te benoemen.

Samen tonen deze denkers dat stilte geen leegte is, maar een morele praktijk. Voor Gadamer is het maat, voor Ricoeur proportie, voor Derrida waakzaamheid, voor Kearney gastvrijheid, voor Levinas verantwoordelijkheid, voor Burggraeve kleine goedheid. De ontmoetingen die volgen rusten hier, momenten waarin stilte zich aan beschrijving onttrekt maar zich wel laat toelaten.

Belichaamde stilte

1. De blik: aarzeling als moreel begin

In Bilbao liep ik op een avond een jonge vrouw tegemoet. Ze liep naast een man, maar haar blik zocht de mijne. Een fractie van een seconde, nauwelijks tijd om te denken, en toch bleef ik staan. Ik draaide mij naar haar toe, niet wetend waarom. Geen woorden, geen gebaar. Alleen die blik, en het vermoeden dat zij iets vroeg wat ik niet kon verstaan.

Er was geen duidelijke reden om te stoppen. En toch voelde ik de schok van aangesproken-zijn, een kort moment waarin ik wist dat ik moest blijven, niet wegkijken, niet voorbijgaan. Toen ik even later doorliep, was er niets gezegd, niets beslist, maar de stilte bleef in mij aanwezig als een vraag die niet verdween.

Filosofische verheldering

Pas later zag ik dat dit het moment was waarop begrip zich inhield. Mijn eerste impuls was betekenis zoeken. Wat gebeurde er? Had ze hulp nodig, of was het toeval? Maar iets in mij verzette zich tegen die beweging. Zoals Gadamer zegt: onze horizon kan opengaan zonder te versmelten. Dit was niet het moment om in te vullen, maar om open te houden.

Die aarzeling, dat stilstaan, was een ethisch gebaar. Levinas zou zeggen: het gezicht onderbrak mij vóórdat ik begreep. Haar blik was geen object van interpretatie maar een oproep, een spreken zonder woorden. In die oproep was stilte geen leegte maar een handeling: de weigering vast te leggen wat zich nog niet liet vastleggen.

Derrida helpt verklaren waarom dit ertoe doet. Elke betekenis die ik had opgelegd zou iets hebben uitgesloten, zou de ontmoeting te snel hebben gefixeerd. Hier werd stilte een vorm van zorg: ik liet ruimte voor wat nog niet gesproken kon worden. Kearney zou dit hermeneutische gastvrijheid noemen: ontvangen met onderscheidingsvermogen, dichtbij zonder over te nemen.

Reflectie: aanspreken en ruimte

Deze ontmoeting toonde de eerste dispositie: aanspreken. Niet als spreken, maar als bereidheid aangesproken te worden. Ik stond niet vóór haar, maar tegenover haar. Aanspreken betekent erkennen dat ik al in relatie ben, vóórdat ik een woord zeg. Het initiatief is omgekeerd: ik ben niet de zender, ik ben de geadresseerde.

In de praktijk betekent dit: voordat ik antwoorden formuleer, voordat ik interpreteer of oplossingen bedenk, is er dat moment van ontvankelijkheid. In zorg betekent het bijvoorbeeld dat een professional niet meteen een diagnose stelt, maar eerst de ruimte neemt om te voelen: er is iemand die mij oproept. In organisaties kan het betekenen dat een leidinggevende niet meteen handelt op een klacht, maar eerst erkent: hier ben ik aangesproken door iets wat ik nog niet begrijp.

Vanuit die eerste dispositie groeide de tweede: ruimte. Stilte als een open plek zonder overhaaste interpretatie, waar betekenis kan ademen. Gadamer noemt dit de voorlopigheid van begrip, Ricoeur de rechtvaardige afstand, Levinas morele terughoudendheid. In die ruimte bleef de Ander ander. Juist zo was mijn stilte geen passiviteit maar bewaking, het intact houden van openheid.

Ruimte maken is niet hetzelfde als afstand nemen. Het vraagt nabijheid en betrokkenheid, maar dan zonder bezit. In therapeutische settings zie je dit terug wanneer iemand pauzeert in plaats van meteen te interpreteren wat een cliënt zegt. In leiderschapssituaties gebeurt het wanneer een manager niet meteen invult wat een medewerker bedoelt, maar de spanning van niet-weten draagt. Die spanning is niet comfortabel, maar ethisch noodzakelijk. Zonder die ruimte wordt zorg benauwend, begrip overhaast, en aanwezigheid bezitterig.

2. Het riool: handelen vóór begrip

In Sainte-Maxime in Frankrijk, liep ik over straat toen ik een vrouw zag die haar zoon, wat later bleek een jongen van een jaar of acht, ondersteboven boven een riool vasthield. Zijn benen staken de lucht in. Later hoorde ik dat ze probeerde een verloren hotelsleutel te pakken. Zonder nadenken liep ik ernaartoe, pakte de benen van de jongen vast en tilde hem omhoog. Het was geen beslissing, het gebeurde gewoon.

Pas achteraf begreep ik wat er had plaatsgevonden. Het lichaam antwoordde vóór het denken. Er was geen tijd voor interpretatie, geen taal om op te leunen. Handelen ging vooraf aan begrip.

Filosofische verheldering

Levinas beschrijft dit als verantwoordelijkheid vóór vrijheid: het lichaam reageert nog voordat de wil instemt. In die reflex komt iets naar voren van wat hij le dire noemt, spreken zonder woorden. Stilte was hier niet een wachtende leegte, maar een onmiddellijke respons.

Begrip volgt later. Gadamer zou zeggen dat de geschiedenis van begrip achteraf begint. Ricoeur spreekt van phronèsis, praktische wijsheid die de kloof overbrugt tussen weten en doen. Derrida herinnert ons eraan dat elke handeling voorlopig blijft, dat betekenis pas achteraf neerslaat als sediment van een gebeurtenis.

Burggraeve noemt dit de “stem van subtiele stilte”, het moment waarop verantwoordelijkheid zich voltrekt zonder dat je jezelf als handelend subject ervaart. Het is de kleine goedheid die onopgemerkt blijft in een wereld van systemen, maar waarin ethiek concrete vorm krijgt.

Reflectie: erkennen

Dit voorval onthulde de derde dispositie: erkennen. Niet erkennen als “een feit vaststellen”, maar kwetsbaarheid erkennen en de grenzen van mijn begrip erkennen. Erkennen betekent zien dat de Ander mijn categorieën te buiten gaat, en dat mijn handeling slechts een tijdelijk en onvolmaakt antwoord biedt.

Erkennen is ook waar stilte overgaat in gebaar. Handen die tillen, een adem die stokt, het besef dat dit genoeg is. Ricoeur zou dit de rechtvaardigheid van context noemen. Kearney zou het gastvrijheid noemen die durft in te grijpen zonder bezit te nemen. Erkennen is stilte in beweging: een terughoudendheid die weigert weg te kijken.

In de zorg zie je dit wanneer professionals erkennen dat hun interventie niet alles oplost, maar wel noodzakelijk is. In organisaties gebeurt het wanneer leidinggevenden erkennen dat hun beslissing onvolmaakt is, maar dat niet-handelen erger zou zijn. Erkennen vraagt moed: je eigen grenzen zien zonder af te sluiten. Hier wordt stilte een vorm van actieve zorg, aandacht die niet vastlegt maar bewaart.

3. De stoeprand: terughoudendheid als zorg

In Breda zag ik een oudere man midden op straat staan, gedesoriënteerd. Ik draaide me naar hem toe, stak over en vroeg: “Kan ik iets voor u doen?” Hij vertelde dat hij de weg kwijt was. Ik stelde voor om samen naar de stoeprand te lopen. Eenmaal daar vroeg ik opnieuw: “Wat kan ik nu voor u doen?” Hij zei dat ik alleen de richting hoefde te wijzen, hij hoefde niet begeleid te worden. Ik wees, wachtte even om te zien of hij veilig op weg ging, en liet hem toen gaan.

Een eenvoudig moment, en toch vroeg het niet om actie maar om maat. Hoe dichtbij moet ik komen, hoe lang moet ik blijven? Een ethiek van gepaste afstand: nabijheid zonder overschrijding.

Filosofische verheldering

Gadamer zou kunnen zeggen: er vond echt begrip plaats omdat mijn horizon openging zonder met de zijne te versmelten. Levinas zou toevoegen: die terughoudendheid is verantwoordelijkheid, de weigering de Ander op te nemen. Derrida zou opmerken dat rechtvaardigheid juist in de grens ligt: elk gebaar draagt de kennis van zijn eigen ontoereikendheid.

Kearney noemt dit het drempelwerk van gastvrijheid: ik ontvang, maar ik bewaak ook de grens. En Burggraeve zou spreken van de kleine goedheid die zich toont in laten-zijn.

Reflectie: beantwoorden

Hier verschijnt de vierde dispositie: beantwoorden. Niet antwoorden met woorden, maar getuigen van aandacht. Beantwoorden is geen initiatief maar echo: iets in mij beantwoordde de oproep van de Ander zonder het op te willen lossen.

In zulke momenten wordt stilte wederkerig, niet symmetrisch maar resonerend. De Ander gaat verder, ik blijf achter met de herinnering aan dat korte stuk gedeelde wereld. Dit is wat Burggraeve bedoelt met verantwoordelijkheid die zich voltrekt voorbij de wil: handeling zonder eigenaarschap. Stilte is dan niet het einde van dialoog, maar zijn zorgvuldigste vorm.

In de praktijk van zorg betekent beantwoorden dat je handelt vanuit wat de situatie vraagt, niet vanuit wat jij denkt nodig te zijn. Het is de verpleegkundige die water brengt zonder gevraagd te zijn, maar niet blijft staan. Het is de coach die een vraag stelt maar geen antwoord opdringt. Het is de leidinggevende die ruimte geeft voor zelfstandigheid terwijl ze beschikbaar blijft.

Beantwoorden voltooit de zorg van stilte: doen dat het luisteren niet breekt.

Het raamwerk van stilte als ethische handeling

De afbeelding, “Architectuur van luisteren”, geeft de concrete stappen weer waarin stilte als ethische handeling vorm krijgt in de praktijk van luisteren.

De vier disposities (aanspreken, ruimte, erkennen en beantwoorden) vormen samen wat ik beschouw als de morele grammatica van stilte. Ze beschrijven hoe ethiek ontstaat zonder dwang, hoe verantwoordelijkheid vorm krijgt door gebaren, blikken en terughoudendheid.

In de drie scènes werd getoond dat stilte werk verricht. Om dat werk te benoemen zonder het te reduceren tot techniek, onderscheid ik deze vier disposities. Het zijn geen stappen, maar wijzen van aanwezig-zijn, onderling afhankelijk en elkaar versterkend.

Aanspreken zonder toe-eigening

Aanspreken is de eerste beweging in het nemen van verantwoordelijkheid. Ik wend mij tot de Ander niet om te bepalen, maar om aanwezig te zijn. Het risico van macht is altijd nabij: wie spreekt kan bezitten. Aanspreken vereist daarom zichtbare bescheidenheid. Het gaat minder om spreken-tot dan om aanspreekbaar-zijn, en om die aanspreekbaarheid voelbaar te maken.

Aanspreken betekent controle loslaten. Ik ben niet degene die als eerste spreekt; ik ben degene die antwoordt. In aangesproken-worden wijkt initiatief voor ontvankelijkheid. Levinas zou zeggen: ethiek begint waar ik mij laat vinden door het gezicht van de Ander. Gadamer herkent in deze ontvankelijkheid het begin van begrip: luisteren als de erkenning dat betekenis altijd vóór mij begint.

Zonder aanspreken blijft verantwoordelijkheid abstract. Zonder aanspreekbaarheid glijdt stilte af naar onverschilligheid.

In organisaties betekent dit concreet: leiders die echt luisteren voordat ze beslissen. In zorg: professionals die zich laten raken door wat een cliënt zegt voordat ze een plan maken. In onderwijs: docenten die zich openstellen voor de vragen van studenten in plaats van alleen hun eigen agenda af te werken.

Ruimte maken zonder terugtrekken

Ruimte is de actieve keuze om niet meteen in te vullen. Het vraagt om bewust uitstel van interpretatie zodat de Ander zich kan tonen. Die ruimte is tijdelijk en doelgericht; ze veronderstelt betrokkenheid, geen onthechting. Onverschilligheid zou ook een vorm van terugtrekking zijn. Ware ruimte is de moed om leegte te dragen terwijl je beschikbaar blijft.

Ruimte is de tweede beweging van zorg. Het bewaart de opening die aanspreken heeft gecreëerd. Voor Gadamer is dit het voorlopige karakter van begrip: begrijpen vraagt om uitstel. Ricoeur spreekt van rechtvaardige afstand, dichtbij genoeg om te horen, ver genoeg om niet te bezitten. Derrida voegt toe dat elke uiting uitsluit; ruimte is het morele tegenwicht tegen die uitsluiting.

Zonder ruimte verstikt zorg. Begrip wordt overhaast en aanwezigheid bezitterig. Ruimte is de adem die luisteren draaglijk maakt.

In praktijk: therapeuten die stiltes laten vallen in plaats van meteen te vullen. Managers die niet meteen oplossingen aandragen maar eerst de spanning van onzekerheid samen dragen. Docenten die na een vraag wachten, ruimte geven voor denken in plaats van meteen antwoorden te geven.

Erkennen zonder romantiseren

Erkennen bevestigt verschil zonder het te verheerlijken. De Ander blijft ander. Dat is geen tekortkoming maar een voorwaarde voor ontmoeting. Romantisering is de omweg waarmee verschil toch wordt gedomesticeerd. Ware erkenning is veeleisender: zien wat nodig is zonder projectie, luisteren zonder idealisatie.

Erkennen is de derde beweging, waarin stilte helderheid wordt. Levinas laat zien dat ik de Ander nooit volledig kan begrijpen. Ricoeur herinnert ons eraan dat ethiek niet kan bestaan zonder oordeel. Erkennen houdt de spanning vast tussen weten en niet-weten. Ik zie de Ander zoals die is, en erken tegelijk dat dit zien voorlopig blijft.

Erkennen vraagt moed: je eigen grenzen zien zonder af te sluiten. Hier wordt stilte actieve zorg, aandacht die niet vastlegt maar bewaart.

In de praktijk: zorgverleners die erkennen dat hun behandeling grenzen heeft. Leidinggevenden die toegeven dat ze het antwoord niet hebben. Docenten die zeggen “daar moet ik over nadenken” in plaats van een pseudo-antwoord te geven. Dit is geen zwakte maar ethische kracht.

Beantwoorden zonder annexeren

Beantwoorden markeert de overgang van ethiek naar handeling. Beantwoorden betekent iets doen of zeggen dat past bij de oproep van de Ander, zonder het gesprek te sluiten. Elke respons riskeert annexatie: mijn antwoord kan de oorspronkelijke oproep overnemen. Beantwoorden zonder annexeren vraagt om afgemeten handeling, een antwoord dat ruimte laat voor voortzetting, correctie en wederkerigheid.

Het is de laatste beweging, en ook een nieuw begin. Wie beantwoordt, roept een nieuwe aanspraak op. Levinas noemt dit verantwoordelijkheid vóór vrijheid: het lichaam antwoordt al voordat het bewustzijn beslist. Ricoeur spreekt van phronèsis: praktische wijsheid die balanceert tussen weten en doen. Burggraeve herkent hier de kleine goedheid: handelen zonder bezit, nabijheid zonder drift.

Beantwoorden voltooit de zorg van stilte: doen dat het luisteren niet breekt.

In praktijk ziet dit eruit als interventies die proportioneel zijn. De arts die medicatie voorschrijft maar ook vraagt hoe de patiënt zelf denkt over behandeling. De manager die een besluit neemt maar expliciet ruimte laat voor bijstelling. De docent die feedback geeft maar eindigt met een vraag.

Aanspreken opent, ruimte bewaart, erkennen verdiept, beantwoorden voert uit. Elk draagt de spoor van stilte; elk beschermt de Ander tegen betekenis die te snel komt. Stilte verschijnt niet als terugtrekking maar als actieve zorg, opening van ruimte zonder grijpen, bewaring van verschil zonder afstandelijkheid. In zijn ritme (naderen, wachten, zien, handelen en opnieuw naderen) krijgt menselijkheid vorm.

Slotreflectie: stilte als zorg en omwending

Stilte is niet louter zwijgen. Zwijgen kan afsluiten; het kan macht of angst zijn, een weigering de Ander te horen. Stilte daarentegen opent. Het is aandacht die naar buiten gekeerd is. Het wendt zich tot de Ander, niet ervan weg.

Waar zwijgen het gesprek breekt, handhaaft stilte de relatie. Het is een praktijk van zorg: actief aanwezig blijven bij wat verschijnt zonder te proberen het te fixeren. Zorg betekent hier niet genezen of repareren; het betekent aandacht dragen. In stilte wend ik mij tot de Ander met het risico geraakt te worden.

Levinas noemt dit de nabijheid van het gezicht: het punt waarop ik niet langer analyseer maar aangesproken word. Ik wend mij tot de oproep, niet omdat ik weet wat nodig is, maar omdat ik niet anders kan dan luisteren. Die omwending is het begin van verantwoordelijkheid.

In Gadamers hermeneutiek is begrip altijd een omwending naar de Ander. Bij Levinas krijgt die omwending moreel gewicht: het is geen beweging van kennis maar van zorg. De stilte waarin ik mij omwend is niet neutraal; ze is geladen met aandacht en kwetsbaarheid. Ze zegt: ik ben hier, en ik laat je bestaan.

Zorg en stilte horen samen zoals longen en adem. Elk afzonderlijk verstikt. Stilte zonder zorg is leeg; zorg zonder stilte wordt bedrijvigheid. De ethiek van stilte is dus een afgemeten omwending: nabij maar niet opdringerig, waakzaam maar open houdend.

Wanneer ik stil ben in een ontmoeting, ben ik niet onthecht maar maximaal betrokken. Mijn aandacht is gespannen, mijn luisteren actief. In die spanning ontvouwen zich de vier disposities. In aanspreken wendt zorg zich naar buiten: ik erken dat ik aangesproken ben. In ruimte wordt zorg behoedzaam: ik houd me in zodat de Ander kan ademen. In erkennen wordt zorg inzicht: ik zie dat de Ander verschilt van mijn verwachting. In beantwoorden wordt zorg concreet: ik handel met maat, geworteld in een stilte die niet bezwijkt onder onzekerheid.

Zorg is de motor van deze beweging. Zonder zorg wordt stilte onverschilligheid; zonder stilte wordt zorg bezitsdrang. Hun samenspel maakt luisteren tot een ethische handeling.

Derrida zou zeggen: stilte waakt over verschil, zorg voor wat niet past in mijn woorden. Ricoeur voegt toe dat zorg altijd contextueel is, ingebed in tijd en omstandigheid; ze vraagt om oordeel, niet om regel. Kearney toont dat zorg grenswerk is: gastvrijheid die zowel ontvangt als bewaakt. Burggraeve herkent hier de logica van kleine goedheid: zorg die niet uit grootsheid geboren is maar uit kwetsbaarheid. Je wendt je tot de Ander niet om te redden, maar om nabij te zijn.

Als stilte een vorm van zorg is, dan is het een menselijke maat van ethiek. Het herinnert ons eraan dat verantwoordelijkheid niet met weten begint, maar met een wending in aandacht. Wie de aandacht zo keert, kiest niet tussen spreken en zwijgen; ze kiest aanwezigheid.

In die overgang vindt de passage van hermeneutiek naar ethiek plaats. Gadamer leerde ons dat begrip nooit volledig is. Levinas toont dat ethiek begint waar begrip struikelt. Stilte is de brug. Het laat ons in het onafgemaakte blijven zonder ons te dwingen het af te maken.

Stilte is de grond van elk rechtvaardig woord. Zo wordt stilte een ethische methode: een luisterende zorg, een omwending naar de Ander; een dispositie, een voortdurende praktijk van terughoudendheid en nabijheid; een taal, niet van woorden maar van aanwezigheid.

In die zin is stilte waar menselijkheid zichtbaar wordt. Het toont dat zorg met aandacht begint en niet met handelen; dat verantwoordelijkheid zachtjes volhardt. Misschien is dit wat Levinas bedoelde met de “stem van subtiele stilte”: de oproep die klinkt waar taal faalt, en waar, in zorg en omwending, de mens zich herinnert wat het is om antwoord te zijn.

Nawoord: in correspondentie met Roger Burggraeve

Na voltooiing van deze tekst ontving ik een brief van Roger Burggraeve, emeritus hoogleraar aan de KU Leuven, wiens werk mijn lezing van Levinas enorm heeft beïnvloed. Zijn woorden bevestigden dat de weg die ik had afgelegd, een fenomenologie van stilte als ethische handeling, inderdaad binnen het veld van Levinas beweegt zonder programmatisch te worden.

Hij herinnerde mij eraan dat Levinas geen systematische ethiek construeerde maar naar de zin ervan zocht. Ethiek ontstaat niet uit concept, maar uit aandacht. Burggraeve schreef dat “responsieve verantwoordelijkheid” als menselijke wijze van zijn voorafgaat aan concrete handeling, en dat die handeling in zijn fenomenologische concreetheid kan en mag worden beschreven.

Op deze manier sluit mijn onderzoek aan bij wat hij “verantwoordelijkheid-door-en-voor-de-Ander” noemt als menselijke conditie, die zichtbaar wordt in zijn meest alledaagse vormen als kleine goedheid.

Zijn verduidelijking van Levinas’ gebruik van visage en face-à-face biedt een taal voor grotere precisie. In het Hebreeuwse panim, een meervoud zonder enkelvoud, bestaat het gezicht alleen in de face-à-face. Alleen in de nabijheid van de Ander word ik werkelijk gezicht. Dit inzicht herinnert ons eraan dat stilte dus niet de afwezigheid van woorden is maar de ruimte waarin wederkerigheid kan bestaan: het moment waarop ik mij omwend, aangesproken en antwoordend tegelijk.

Soms denk ik dat stilte niet kan worden onderwezen; ze kan alleen worden herkend. Ook in het schrijven bleef ik aarzelen: hoe spreek je over stilte zonder het te breken? Die aarzeling werd mijn kompas. Ze verschijnt in een fractie van aandacht, in het trillen tussen horen en begrijpen.

Ik merk het wanneer ik mij omwend naar iemand en iets in mij besluit niet te weten, alsof zorg eerst ademt en pas dan denkt. De stilte die ik zoek is niet het zwijgen van terugtrekking maar het luisteren dat aanwezig blijft. Het vraagt niets, troost niet, repareert niet. Het wacht. Het wendt zich naar waar het pijn doet. Niet “ik ben hier”, maar me voici: hier ben ik, geroepen, niet door initiatief maar als antwoord.

Misschien is dit de kern van wat ik met dit artikel heb geprobeerd te raken: dat stilte een manier is van liefhebben zonder bezit; dat zorg begint door te durven blijven waar woorden tekortschieten; dat de ethiek van luisteren niet om grote gebaren vraagt maar om de menselijke maat.

Literatuurlijst

Burggraeve, Roger. Silence/Stilte. Persoonlijke communicatie, Leuven, 2025.

Burggraeve, Roger. Zien en luisteren. Persoonlijke communicatie, Leuven, 2025.

Burggraeve, Roger. Geen toekomst zonder kleine goedheid: naar genereus samenleven in verantwoordelijkheid vanuit Emmanuel Levinas. Adveniat, 2020.

Derrida, Jacques. Schrift en verschil. Amsterdam: Boom, 2000.

Dilthey, Wilhelm. Gesammelte Schriften, Band 5. Leipzig: Teubner, 1924.

Gadamer, Hans-Georg. Waarheid en methode: hoofdlijnen van een filosofische hermeneutiek. Nijmegen: Vantilt, 2014.

Heidegger, Martin. Zijn en tijd. Amsterdam: Boom, 1999.

Keij, Jan. De filosofie van Emmanuel Levinas. Budel: Damon, 2010.

Kearney, Richard. God die misschien is: een hermeneutiek van religie. Kampen: Kok Agora, 2002.

Levinas, Emmanuel. Totaliteit en Oneindigheid: essay over de exterioriteit. Amsterdam: Boom, 2021.

Ricoeur, Paul. Oneself as Another. Chicago: University of Chicago Press, 1992.

Zwiep, Arie W. Tussen tekst en lezer (set, deel I en II). Amsterdam: VU University Press, 2025.