De grot van Plato, nu

Ik denk vaak aan Plato’s grot, omdat het zo goed laat zien wat er kan gebeuren tussen mensen.

In dat verhaal kijken mensen naar één wand. Ze zien schaduwen en gaan leven alsof dat de werkelijkheid is. Niet omdat ze dom zijn, maar omdat dit is wat er overblijft als je nooit meer omkijkt, nooit meer toetst, nooit meer vergelijkt.

En als ik naar onze samenleving kijk, dan zie ik iets dat daarop lijkt.

We zien elkaar steeds vaker via schaduwen. Via fragmenten. Via frames. Via profielen. Via “wat iedereen toch weet”. En voor je het merkt wordt de ander geen mens meer, maar een positie. Een type. Iemand die je al geplaatst hebt voordat er een ontmoeting is geweest.

Het probleem is niet dat we verschillen. Verschillen horen erbij.

Het probleem is dat we elkaar kwijtraken als mensen.

Dat we steeds minder precies worden. Minder nieuwsgierig. Minder bereid om even te wachten met ons oordeel. Dan reageren we niet meer op iemand, maar op een beeld van iemand. En beelden kun je makkelijk wegzetten. Beelden kun je hard behandelen. Beelden hoef je niet echt te ontmoeten.

Daar zouden de dialogische denkers meteen op wijzen: als de Ander geen “jij” meer is maar een “het”, dan verandert de hele verhouding. Dan wordt het logisch dat we elkaar gebruiken, duwen, bespelen, afschrijven. Want je kunt pas echt achteloos worden wanneer je de Ander al onteigend hebt van zijn menselijkheid.

En ik vind dat een gevaarlijke beweging. Niet alleen moreel, ook maatschappelijk.

Want een samenleving houdt niet alleen stand op regels en systemen. Zij houdt stand op de kwaliteit van de omgang: kunnen we elkaar nog zien, ook als we het oneens zijn?

Plato is ook eerlijk over de moeilijkheid: omkijken is niet prettig. Je ogen moeten wennen. Het is ongemakkelijk om te merken dat je misschien te snel was, te zeker, te hard. Maar het is wel nodig.

Dus als ik Plato vandaag gebruik, is het niet om mensen te corrigeren. Het is om mezelf een vraag te stellen die concreet blijft:

Waar maak ik van iemand een schaduw?
Waar praat ik over “die anderen” zonder ze nog werkelijk te zien?
En waar kan ik terug naar iets menselijks: een echte vraag, een open moment, een poging om de ander niet meteen te reduceren?

Want dit is waar ik op uitkom: we mogen elkaar niet verliezen.

Niet als tegenstanders, niet als kampen, niet als karikaturen.
Als mensen.