Le Même – Het denken dat de Ander insluit en daarmee onzichtbaar maakt
In het vorige deel stond le visage centraal: het moment waarop de Ander mij aanspreekt vóór elke afweging, vóór elke ordening. Het Gelaat doorbreekt iets. Maar wat wordt daar precies doorbroken? Welke orde raakt verstoord wanneer de Ander verschijnt?
Levinas geeft die orde een naam: le Même, het Zelfde. Daarmee doelt hij op een structuur die hij meent te herkennen in een dominante lijn van het westerse denken, maar ook in de alledaagse gang van zaken. Dit deel gaat over die structuur: wat zij is, hoe zij werkt en waarom zij zo moeilijk zichtbaar wordt zolang zij ongestoord haar werk kan doen.
Wat achterbleef
Leeswijzer: dit stuk bevat een persoonlijke passage over zelfdoding en verlies.
Toen de politie mij vroeg waar hij kon zijn, zei ik zonder aarzelen: in het water. Later bleek dat te kloppen. En toch lag juist daarin de verwarring besloten: ik wist waar zij hem konden vinden, maar niet dat hij zou verdwijnen. Ik had hem gekend. En tegelijk niet.
Hij had niets aangekondigd. Geen brief, geen teken dat achteraf als waarschuwing te lezen viel.
Wat volgde was een verbijstering die zich nergens op kon richten.
In de weken daarna bleef ik terugkijken. Naar zijn glimlach op foto’s, naar appjes, naar gesprekken, naar stiltes. Ik vroeg mij af of ik iets had gemist. Anderen vroegen: had je iets gemerkt? Ik wist het niet. Zijn dood liet een leegte na die zich niet eenvoudig als afwezigheid liet omschrijven. Het was eerder een vraag zonder antwoord.

Harry van der Woerd: Langs de Waal
Op een winterdag, een jaar later, onderweg naar het stemlokaal, zag ik een roodborstje. Hij stemde altijd. Hij geloofde in democratie. In dat kleine beeld was iets van hem aanwezig. Geen troost, geen boodschap. Wel een nabijheid die zich niet liet vastleggen.
Wat mij uiteindelijk bleef bezighouden, was naast verdriet, de vraag: had ik hem werkelijk gezien? Of had ik hem vooral gekend zoals hij voor mij bestond, als mijn oudste vriend? Als iemand die ik al veertig jaar kende. Als vertrouwde aanwezigheid in mijn leven? En was er juist daarin iets van hem buiten zicht gebleven?
Misschien is dat wel het meest ontregelende: dat de Ander niet alleen verdwijnt achter afstand, oordeel of vijandschap, maar ook achter vertrouwdheid. Juist wie ons nabij is, kan ongemerkt samenvallen met de betekenis die hij in ons leven heeft gekregen.
In zulke ervaringen dringt zich iets op van wat Levinas le Même noemt: de beweging waarin ik de Ander, vaak zonder het te merken, begrijp vanuit de plaats die hij in mijn leven inneemt. Dat is onvermijdelijk. Zonder zulke betekenissen kunnen wij nauwelijks leven.
Daar ligt ook de grens. De Ander valt niet samen met de betekenis die hij voor mij heeft. Hij blijft mij ontsnappen. Ook daar waar ik hem het meest nabij was.
In de lezing van Roger Burggraeve krijgt die beweging nog meer scherpte. Le Même is niet alleen een structuur van kennen, maar ook een wijze van bestaan. Het ik houdt zichzelf in stand, zoekt samenhang, zekerheid en continuïteit, en benadert daarom ook de Ander spontaan vanuit zijn eigen orde. Juist daarom is reductie niet onschuldig: in het vastleggen, benoemen en inpassen van de Ander schuilt al een eerste vorm van geweld.
De structuur van het Zelfde
De term le Même vormt de kern van Levinas’ kritiek op een dominante lijn in de westerse filosofie en op de alledaagse gang van het denken. Hij verwijst ermee naar de beweging waarmee het ik de wereld spontaan naar zichzelf toetrekt.
Levinas beschrijft hoe wij van nature geneigd zijn om wat vreemd of onbekend is te begrijpen, te ordenen en in te passen. Zodra wij iets of iemand beschrijven, diagnosticeren of in vertrouwde begrippen vangen, maken wij het vreemde in zekere zin eigen. Wij trekken de wereld en de medemens naar binnen, in onze eigen belevingswereld. Dat voortdurende inpassen van andersheid in wat voor mij hanteerbaar en begrijpelijk is, is precies wat Levinas de heerschappij van le Même noemt.
In zijn lezing van de filosofische traditie richt Levinas zijn kritiek op een denken waarin wat is in beginsel als kenbaar, begrijpelijk en ordenbaar wordt opgevat. De werkelijkheid verschijnt dan als iets wat door het subject kan worden gevat, benoemd en in samenhang gebracht. Wat zich daaraan onttrekt, valt al snel buiten beeld. (1)
Voor Levinas is de prijs daarvan hoog. Kennis kan een verhouding worden waarin de Ander tot het Zelfde wordt teruggebracht. De vreemdheid van de Ander verdwijnt niet doordat zij wordt weerlegd, maar doordat zij wordt opgenomen in wat voor mij begrijpelijk is. Het andere wordt dan het eigene, het mijne, het immanente. (2) In die beweging verdwijnt de Ander als Ander. Hij wordt herkenbaar, hanteerbaar, ingepast. En precies daarin ligt het probleem voor Levinas.
Daarom spreekt hij over ontologie als égologie: een denken dat vanuit het ik vertrekt en alles wat het ontmoet uiteindelijk naar zichzelf terugbuigt. (3) Het subject staat centraal, de wereld is zijn wereld, en de anderen verschijnen binnen die wereld. Alles krijgt zijn plaats. En juist in die ogenschijnlijk vanzelfsprekende ordening is iets wezenlijks verloren gegaan.
Het geweld van reductie
Voor Levinas is deze drang om alles tot het Zelfde te herleiden niet neutraal. Zij draagt een subtiele vorm van overheersing in zich. Zodra wij de Ander willen kennen en inpassen in onze eigen kaders, dreigt diens unieke andersheid te verdwijnen. De Ander wordt dan een alter ego, een variant van mijzelf, en komt onder in de totaliteit van le Même.
In de oorlog wordt zichtbaar wat in deze structuur op scherp komt te staan. Niet voor niets opent Totalité et Infini met een verwijzing naar de oorlog als de meest zichtbare uitdrukking van totaliteitsdenken: het zijn zoals het zich in de oorlog toont, verstolt in het begrip totaliteit, dat volgens Levinas de westerse filosofie diepgaand heeft bepaald. (4)
In de oorlog staat alles ten dienste van het geheel. Mensen verschijnen niet langer als personen, maar als functies, middelen, uitvoerders van een systeem dat groter is dan zijzelf.
Dat is de uiterste vorm van le Même. Maar Levinas wijst juist op de continuïteit tussen dat uiterste en het gewone. De structuur die in de oorlog zichtbaar wordt, is niet vreemd aan het dagelijkse leven. Ook daar reduceren wij de Ander gemakkelijk tot diens rol, tot diens betekenis voor ons, tot diens plaats in ons verhaal. De oorlog is in die zin de gewelddadige onthulling van een beweging die ook in gewone vormen van kennen werkzaam is.
Burggraeve beschrijft in zijn lezing van Levinas hoe de bevrijding uit die totaliteit een drievoudige beweging veronderstelt: van het ik dat zichzelf vestigt, via het isolement van zijn geslotenheid, naar de ontmoeting met de Ander die het ik uit zijn gebondenheid aan zichzelf losmaakt. (5) Die bevrijding begint dus met het zichtbaar worden van le Même als probleem.
Kennen als insluiting
Juist daarom is de beweging van het Zelfde zo moeilijk te onderkennen. Zij manifesteert zich zelden in openlijk geweld. Veel vaker verschijnt zij in vormen die vanzelfsprekend en zelfs welwillend lijken: begrip, nabijheid, zorg. Ik begrijp jou. Ik ken jou. Ik weet hoe jij bent. In zulke uitspraken klinkt verbondenheid door, maar ook een beweging waarin de ander ongemerkt wordt vastgelegd binnen mijn eigen kader.
Burggraeve wijst erop hoe deze beweging ook doorwerkt in gewone vormen van kennis. Het westerse denken, geworteld in de Griekse traditie, leunt sterk op zien, beschrijven, classificeren en diagnosticeren. De Ander wordt in beeld gebracht via kenmerken, representaties, dossiers en foto’s en krijgt zo een kenbaar en herkenbaar profiel. De reductie voltrekt zich precies in die alledaagse praktijken, zonder dat ik het altijd doorheb. (6)
De dialogische traditie heeft dat vroeg gezien. Bij denkers als Martin Buber en Gabriel Marcel is de Ander van een andere orde dan een object van kennis. Zodra ik hem volledig thematiseer, vastleg in een beschrijving of onderbreng in een begrip, doe ik zijn unieke andersheid tekort. (7) Levinas sluit daarbij aan en voert die intuïtie verder door. Het gaat hem niet alleen om een andere houding in het gesprek, maar om de grondstructuur van het kennen zelf.
Iemand werkelijk ontmoeten vraagt daarom om de bereidheid te erkennen dat die Ander zich nooit volledig laat kennen. Denken dat je iemand kent, betekent al snel dat je hem binnentrekt in je eigen wereld en niet laat zijn wie hij is, of zou kunnen zijn. Burggraeve merkt op dat juist de Ander die mij het meest nabij is, voor mij de vreemde Ander blijft.
Die gedachte dringt zich voor mij telkens opnieuw op in het verlies van mijn oudste vriend. Ik had hem gekend in de betekenis die hij in mijn leven had: als vertrouwde aanwezigheid, als iemand met een eigen plaats in mijn geschiedenis. Die verhouding was werkelijk. Zij deed ertoe. En toch bleef er, ook in die vertrouwdheid, iets van hem buiten mijn bereik. En toch was er in die vertrouwdheid iets van hem aan mijn blik ontsnapt, iets wat buiten mijn beeld bleef en zich niet liet opnemen in mijn kaders.
Het is de kwetsbaarheid van het kennen zelf.
De inbreuk van de Ander
Ethiek begint bij Levinas niet met het volgen van regels, maar met het moment waarop de gesloten orde van het Zelfde wordt doorbroken. De ontmoeting met het Gelaat van de Ander is een directe inbreuk op la spontanéité égoïste, de egoïstische spontaniteit van het Zelfde. De Ander is oneindig en kan, anders dan wereldse objecten, nooit volledig gekend, bezeten of gereduceerd worden tot het Zelfde. Het Gelaat roept de heerschappij van le Même een halt toe en opent de ruimte voor verantwoordelijkheid.
Le Même hangt bij Levinas nauw samen met wat hij la totalité noemt: het geheel van alles wat ik kan bevatten, benoemen en beheersen. Het is mijn wereld als samenhangend systeem, een wereld waarin alles zijn plaats heeft en niets werkelijk buiten de orde valt.
Tegenover die totaliteit plaatst Levinas l’infini, het Oneindige: datgene wat zich niet laat opsluiten in mijn begrip, wat nooit volledig opgaat in een gesloten geheel. Dat Oneindige verschijnt bij hem niet eerst als een abstract idee. Het verschijnt concreet in het Gelaat van de Ander.
Daarom schrijft Levinas dat de breuk met de totaliteit zich niet voltrekt door alleen te denken. Denken is daarvoor niet toereikend. De breuk geschiedt in het verschijnen van de Ander, wanneer het denken ervan afziet met hem een totaal te vormen en in plaats daarvan in spreken treedt. (8)
Hier raakt de kritiek op le Même direct aan de betekenis van le visage. Het Gelaat is geen aanvulling op mijn wereld. Het is datgene wat haar geslotenheid doorbreekt. In het Gelaat verschijnt iets wat zich niet laat reduceren tot wat ik al weet. De Ander is voor Levinas de plaats waar het Oneindige mijn orde doorbreekt.
Wat het Zelfde zichtbaar maakt
De vraag die le Même oproept is eenvoudig en tegelijk ontregelend: ken ik de mensen om mij heen werkelijk, of ken ik hen vooral zoals zij in mijn wereld passen?
Levinas beantwoordt die vraag niet met een oproep om minder te kennen, maar met de aanwijzing dat ware nabijheid begint waar mijn greep verslapt. De verhouding die de Ander het meest recht doet, is voor hem de taal, het spreken, het gesprek. Taal ontsluit de Ander nooit volledig. In het gesprek blijft de mogelijkheid open dat de Ander mij corrigeert, zich terugtrekt, zich anders toont dan ik dacht. In het gesprek blijft de Ander, Ander.
Daarom zijn le Même en le Visage bij Levinas onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het Gelaat doorbreekt het Zelfde. Het verschijnen van de Ander in diens kwetsbaarheid en onherleidbaarheid is precies de beweging die de gesloten wereld van het ik openbreekt.
In deel acht onderzoek ik wat Levinas daartegenover stelt als grondhouding van de ethiek: l’éthique comme philosophie première. Want als het gewone denken wordt gedragen door een structuur van toe-eigening, dan vraagt de breuk om een andere orde. Een orde die niet begint bij begrip, maar bij aanspraak. Bij de vraag die van de Ander uitgaat voordat ik hem heb begrepen.
Noten
(1) Levinas, E., De totaliteit en het oneindige. Essay over de exterioriteit, vert. Theo de Boer, Ambo, Baarn 1987. Zie ook: Levinas, E., Ethisch en oneindig. Gesprekken met Philippe Nemo, vert. Theo de Boer, Ambo, Kampen 1992, p. 62, waar Levinas de term ‘totaliteit’ toeschrijft aan de invloed van Franz Rosenzweig.
(2) Levinas, E., De totaliteit en het oneindige, Sectie I, “Le Même et l’Autre”, waar Levinas de reductie van het Andere tot het Zelfde beschrijft als de grondstructuur van de westerse ontologie.
(3) De term égologie is ontleend aan Husserl. Levinas past hem toe op het westerse denken als geheel. Levinas, E., De totaliteit en het oneindige, p. 35.
(4) Levinas, E., De totaliteit en het oneindige, préface.
(5) Burggraeve, R., Het gelaat van de bevrijding. Een heilsdenken in het spoor van Emmanuel Levinas, Lannoo, Tielt 1986.
(6) Burggraeve, R., Van Zien naar Luisteren, pro manuscripto, Leuven, 28 december 2025.
(7) Buber, M., Ich und Du (1923), Lambert Schneider, Heidelberg, 7e druk 1977. Zie ook: Marcel, G., Être et avoir, Aubier, Parijs 1935.
(8) Levinas, E., De totaliteit en het oneindige, p. 30.


