De Ander vóór het verschil
In deze reeks over luisteren, ethiek en Emmanuel Levinas ontstaat soms een zijspoor dat toch bij de kern blijkt te horen. Dit is zo’n zijspoor. Het begon met één zin in een podcast.
In De Ongelooflijke Podcast hoorde ik Paul Frissen zeggen dat diversiteit en inclusiviteit elkaar uitsluiten. Die zin bleef hangen, juist omdat wij beide woorden zo vaak in één adem gebruiken: diversiteit en inclusie. Alsof zij vanzelfsprekend bij elkaar horen.
Ik begreep iets van zijn punt. Diversiteit verwijst naar verschil. Naar pluraliteit. Naar mensen die uiteenlopen in overtuigingen, waarden, levensvormen, ervaringen en manieren van spreken. Werkelijke diversiteit betekent ook dat verschillen kunnen blijven schuren. Niet alles wordt harmonie.
Inclusiviteit klinkt warmer. Meer verbindend misschien. Tegelijk veronderstelt inclusiviteit een ruimte waarbinnen mensen opgenomen worden. Er is een samenleving, organisatie of cultuur die bepaalt wat telt als deelname, erkenning of zichtbaar burgerschap. Zodra iemand wordt ingesloten, ontstaat er ook een kader waarbinnen die Ander herkenbaar, benoembaar en aanvaardbaar moet worden.
Daar ontstaat een spanning. Wat gebeurt er wanneer wij de Ander proberen te erkennen via categorieën, identiteiten en morele ordening? Wat gebeurt er met verschil zodra het opgenomen wordt binnen een gedeeld kader van herkenning en inclusie?
Met die vragen schreef ik aan Roger Burggraeve, emeritus hoogleraar te Leuven en al langer een belangrijke gids in mijn lezing van Levinas.
Hij wees mij erop dat Levinas geen differentiedenker is, maar een alteriteitsdenker. Daarbij verwees hij naar een uitspraak van Levinas zelf, afkomstig uit een interview dat werd opgenomen in Racismes. L’autre et son visage, een bundel uit 1988 over uitsluiting en racistische ordening:
“Ce n’est pas du tout la différence qui fait l’altérité; c’est l’altérité qui fait la différence.”
De alteriteit gaat vooraf aan het verschil.
Op het eerste gezicht lijkt dit een subtiel filosofisch onderscheid. Bij nader inzien raakt het aan de kern van de vraag hoe wij verschil, erkenning en menselijkheid begrijpen.
Ik lees Levinas al jaren vanuit mijn werk rond luisteren, ethiek en verantwoordelijkheid. Deze zin bracht daarom vooral meer scherpte aan in mijn eigen taal. Ik merkte hoe vaak ik zelf sprak over het omarmen van de menselijkheid van de Ander. Dat klinkt warm en oprecht, maar bij Levinas schuurt het.
De menselijkheid van de Ander bestaat al voordat ik haar bevestig. Zij komt mij tegemoet, nog vóór ik haar kan erkennen, benoemen of opnemen in mijn eigen morele gebaar.
In het denken waarin ik ben opgegroeid, vertrekken we vaak vanuit verschillen. Cultuur, gender, religie, achtergrond, overtuiging, lichaam, geschiedenis. Wij benoemen verschillen om mensen zichtbaar te maken, om uitsluiting tegen te gaan, om recht te doen aan wie historisch onzichtbaar bleef. Dat is begrijpelijk en in veel opzichten noodzakelijk geweest. Soms is het dat nog steeds.
Toch verschijnt de mens in dat denken gemakkelijk via een kenmerk. Eerst wordt iemand zichtbaar als drager van een categorie. Daarna pas verschijnt de persoon zelf.
Levinas verschuift de volgorde. Verschillen brengen de alteriteit niet voort, alsof de Ander samenvalt met de optelsom van kenmerken. De alteriteit zelf gaat aan die verschillen vooraf. Eerst is er deze Ander tegenover mij, een gelaat dat mij aanspreekt voordat ik weet wie of wat hij is. Pas daarna ga ik beschrijven, ordenen en classificeren.
Voor mij ligt de betekenis van deze gedachte vooral in de correctie die zij aanbrengt in mijn eigen taal. Ik wil scherper zien hoe snel wij mensen benaderen via kenmerken, verschillen en categorieën, ook wanneer dat gebeurt vanuit zorgvuldigheid of rechtvaardigheidsgevoel.
Dat zegt ook iets over de plek van waaruit ik meestal kijk. In mijn dagelijkse manier van waarnemen sta ik gemakkelijk zelf in het midden. Ik observeer, beoordeel, vergelijk en orden. De wereld komt naar mij toe en ik geef haar een plaats. Bij Levinas verschuift die verhouding. Nog voordat ik de wereld heb geordend, ben ik al aangesproken. Mijn denken begint als antwoord.
Wat dit concreet betekent, blijft voor mij in ontwikkeling. Wel merk ik dat er meer terughoudendheid ontstaat. Wanneer ik iemand voor het eerst ontmoet, hoef ik niet meteen te weten waar iemand bij hoort om die persoon serieus te nemen. Tijdens het luisteren hoeft begrip niet voorop te staan om aandachtig aanwezig te zijn. Luisteren vraagt om een houding waarin mijn neiging tot ordenen tijdelijk naar de achtergrond schuift, zodat de Ander kan verschijnen voordat hij onderdeel wordt van mijn eigen kader.
Ik beschrijf hier vooral een verfijning van mijn eigen ankerpunt. Praktijken van diversiteit en inclusie zijn belangrijk en hebben veel mensen geholpen. Mijn vraag ligt daaronder. Wanneer wij vertrekken vanuit verschillen, wordt de Ander gemakkelijk iemand die geplaatst en benoemd moet worden. Wanneer alteriteit het eerste woord krijgt, opent zich eerst de ontmoeting. Daarna pas volgen taal, duiding en beleid.
Verschillen doen ertoe. Levinas schuift vooral de volgorde op. Eerst is er het gelaat: de mens die mij aankijkt en aanspreekt. Daarna komen de kenmerken waardoor iemand zichtbaar wordt in de wereld: een lichaam, een geschiedenis, een taal, een geloof, een manier van leven.
We kunnen niet zonder categorieën. Ze helpen ons om onrecht te herkennen, beleid te maken, patronen te zien en bescherming te organiseren. Maar ze vragen om voorzichtigheid. Een categorie mag nooit samenvallen met de hele mens. Iemand is altijd meer dan het kenmerk, de groep of het verschil waaronder die persoon verschijnt.
Juist wanneer we verschil benoemen, moeten we opletten dat we iemand niet vastzetten in dat verschil. Het benoemen van verschil zou ruimte moeten openen. Het mag de Ander niet kleiner maken.
Levinas sprak hierover in een tijd waarin Europese discussies over racisme steeds scherper werden. Bijna veertig jaar later heeft die gedachte niets aan kracht verloren. Misschien blijft zij actueel zolang wij denken dat wij de ander pas echt zien wanneer wij die volledig begrijpen.
Voor mij was deze zin daarom geen nieuw vertrekpunt, maar een aanscherping. Zij liet mij anders kijken naar rubricering, inclusie en mijn eigen humanistische manier van denken. Verschillen blijven belangrijk, maar zij krijgen niet het eerste woord. Eerst is er de Ander. Daarna zoeken wij naar taal om recht te doen aan degene die ons al tegemoet is gekomen.
Kunst: Rietje Smal


