De schaduwzijde van stilte: over terughouding, onttrekking en ethische aanwezigheid

Inleiding — Wanneer stilte omslaat in onttrekking

In het eerste artikel beschreef ik hoe stilte een ethische handeling kan zijn: een vorm van aandachtige terughouding die ruimte maakt voor verschijnen, voor betekenis die nog geen taal heeft, voor de Ander die zich toont zonder dat ik hem of haar direct vastleg. Stilte kon daar een manier zijn om mijn neiging tot duiden te vertragen en een ontmoeting niet te snel in een kader te vangen. Ze voorkwam dat ik de ander reduceerde tot een verhaal dat in míjn taal past. Stilte was een ethische keuze: een beweging van retenue, van “in-houden” zodat er iets anders kan spreken dan mijn instrumentele reflexen.

Maar zodra stilte een plaats krijgt als ethische kwaliteit, ontstaat meteen ook haar keerzijde. Want dezelfde terughouding die ruimte geeft, kan in andere situaties juist ruimte ontnemen. De stilte die ontmoeting mogelijk maakt, kan ook ontmoeting vermijden. Stilte kan nabijheid dragen, maar ook afstand creëren. Ze kan bewaken, maar ook verbergen. Ze kan luisteren, maar ook weglaten. En soms, misschien vaker dan we durven erkennen, wordt stilte een middel om verantwoordelijkheid uit te stellen, waar handelen of spreken noodzakelijk was.

Dit tweede artikel onderzoekt precies die spanning: wanneer wordt stilte ethisch, en wanneer wordt zij een vorm van onttrekking?
Niet als tegenstelling tussen goed en slecht, maar als een schuivende grens die we telkens opnieuw moeten herkennen in concrete situaties.

Waarom stilte een schaduwzijde heeft

Stilte heeft in onze cultuur een positieve reputatie. Ze wordt verbonden met rust, wijsheid, bedachtzaamheid, innerlijke diepte. Veel publieke en professionele contexten: leiderschap, zorg, therapie, onderwijs,  benadrukken het belang van vertragen, niet te snel spreken, ruimte laten.

Maar dat ideaal heeft ook een gevaar: zodra stilte als deugd wordt gezien, wordt ze minder kritisch bejegend. Stilte krijgt dan bijna vanzelf een waarde die ze niet altijd verdient. We gaan haar toejuichen zonder te vragen voor wie deze stilte werkt, wat zij doet, en wie de kosten ervan draagt. Juist daarom is er onderzoek nodig naar de ambivalentie van stilte.

Deze ambivalentie is bekend uit menselijke relaties: een stilte kan troostend zijn, maar ook geladen; warm, maar ook dreigend; uitnodigend, maar ook beschamend; open, maar ook afstandelijk. Stilte is nooit neutraal. Ze is altijd gericht, altijd een handeling in een relatie, altijd met een effect. Dat effect kan ethisch vruchtbaar zijn of juist morele schade veroorzaken.

Dit artikel probeert daarom een nieuw vertrekpunt te bieden:

Stilte wordt niet beoordeeld op intentie maar op werking.

Wat doet deze stilte voor degene die kwetsbaar is?
Wat maakt deze stilte mogelijk of onmogelijk?

Dat criterium brengt ons onmiddellijk bij hermeneutiek en ethiek.

Opschorten van duiding

Hermeneutiek leert dat verstaan altijd een proces is van voorlopigheid: je moet openblijven voor wat je nog niet begrijpt. Stilte kan die openheid bevorderen; ze geeft tijd. In artikel 1 heb ik laten zien hoe die interpretatieve terughouding ruimte kan scheppen voor verschijnen, voor dat wat zich nog niet in taal laat vangen. Stilte kan, in Gadamer’s woorden, “de maat van het gesprek” zijn.

Maar hermeneutiek kent ook een grens. Openheid kan omslaan in onverschilligheid. Terughouding kan ook een manier worden om niet te hoeven verstaan. Het opschorten van duiding kan ook een weigering zijn om te benoemen wat wel benoemd móet worden: pijn, grensoverschrijding, onrecht, gevaar. Een stilte die ooit dialoog diende, kan zo de dialoog verstikken. Daarom moet hermeneutiek worden aangevuld met ethiek.

Ethische spanning: het onweerlegbare appèl en onze weerbaarheid

Hier komt Levinas in beeld. Hij stelt dat het gelaat van de Ander een onweerlegbaar appèl doet: een oproep die ik niet kan reduceren of negeren zonder dat ik daarmee het gelaat beschadig. Maar het appèl is ook weerstaanbaar: ik kán weigeren, ik kán wegkijken, ik kán zwijgen waar spreken gevraagd wordt. Precies dáár ontstaat ethiek: in de spanning tussen wat mij aanspreekt en wat ik daarmee doe.

Burggraeve voegt aan dit denken toe dat juist deze spanning maakt dat stilte nooit waardenvrij is. Stilte kan de plek zijn waar de ethiek geboren wordt, maar ook de plek waar zij sterft. Als mijn zwijgen het appèl van de Ander bewaarbaar maakt, werkt stilte ethisch. Maar als mijn zwijgen het appèl dempt, dan wordt stilte medeplichtig aan reductie of onrecht.

Met andere woorden: er bestaat geen ethiek van stilte zónder een ethiek van spreken.

Stilte als handeling: de bijdrage van performativiteit

Xavier Guillaume laat zien dat stilte niet alleen een innerlijke houding is, maar ook een vorm van macht. Stilte is nooit simpelweg “geen geluid”: het is een signaal met sociale werking. In veel contexten is silence niet neutral, maar een resource: demonstratief zwijgen, tactisch zwijgen, ontwijkend zwijgen, sanctionerend zwijgen, ritueel zwijgen.

Guillaume stelt voor om niet te vragen “Wat betekent deze stilte?”, maar: “Wat verricht deze stilte in de orde van deze relatie of organisatie?”

Deze verschuiving, van betekenis naar werking, is voor dit artikel cruciaal. Ze maakt zichtbaar hoe stilte machtsrelaties kan bevestigen of doorbreken. Ze verklaart waarom sommige stiltes veiligheid scheppen, terwijl andere stiltes stress, angst of schaamte oproepen. Stilte is een performatieve kracht, geen leegte.

Doel van dit artikel

Dit tweede artikel wil daarom drie dingen doen:

  1. Laten zien waarom stilte ethisch precair is. Waarom een zwijgen dat zorgzaam lijkt, soms juist schadelijk werkt.
  2. Een analytisch kader bieden waarmee lezers het verschil kunnen herkennen tussen ingehouden aanwezigheid en morele onttrekking.
  3. Drie casussen onderzoeken, niet als anekdotes, maar als fenomenologische vensters waarin zichtbaar wordt hoe stilte functioneert in zorg, publiek gedrag en rouw.

Daarbij sluit dit artikel aan bij de opbouw van artikel 1 aan, zodat dit het noodzakelijke tegenstuk vormt: geen ode aan stilte, maar een uitnodiging om haar kritisch te onderzoeken, precies omdat zij zoveel kan betekenen.

2. Hermeneutisch kader – openheid, voorlopigheid en de grens van verstaan

Hermeneutiek biedt een taal om stilte te begrijpen als een vorm van terughouding. Wie zwijgt, stelt interpretatie uit en geeft ruimte aan wat nog niet in woorden past. Stilte kan daardoor een manier zijn om te voorkomen dat we te snel denken te begrijpen wat zich voordoet. Zwijgen wordt dan een uitnodiging om het voorlopige van ons eigen verstaan te erkennen.

Maar zodra stilte in moreel beladen situaties verschijnt, is die hermeneutische houding niet vanzelf voldoende. Dezelfde terughouding die in het ene moment de ontmoeting beschermt, kan in een ander moment juist de ontmoeting blokkeren. Om dat te zien, is een hernieuwde hermeneutische lezing van stilte nodig, én de bereidheid om haar grenzen te erkennen.

2.1 Stilte als hermeneutische terughouding

In de klassieke hermeneutiek geldt verstaan als een proces van voortdurende voorlopigheid. Bij Gadamer staat centraal dat betekenis niet in één keer gegeven is: het gesprek vraagt om maat, om een ritme waarin interpretatie zich geleidelijk ontvouwt. Stilte kan in dat perspectief functioneren als een pauze die het gesprek behoedt voor vervlakking. Niet spreken is dan geen leegte, maar een manier om nog-niet-begrepen betekenis ruimte te geven om te verschijnen.

Fenomenologisch gesproken kan stilte worden opgevat als een vorm van epochè: een opschorting van oordeel. In dat oponthoud wordt de spontane neiging tot duiden even teruggehouden, zodat de waarneming zelf – blikrichting, lichaamstaal, ritme – voorrang krijgt. Stilte helpt dan om te voorkomen dat de ander te snel in onze eigen begrippen gevangen raakt. Zij is een vorm van methodologische zorgvuldigheid: een manier om ruimte te houden voor wat op het punt staat betekenis te worden, maar dat nog niet is.

2.2 Wanneer hermeneutische openheid ontspoort

Diezelfde zorgvuldigheid kan echter een valkuil worden. In gemankeerde of sterk asymmetrische situaties, zoals conflicten, afhankelijkheidsrelaties of contexten van kwetsbaarheid, kan hermeneutische terughouding omslaan in onttrekking. De beweging die bedoeld was om ruimte te geven, kan dan ruimte ontnemen.

Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer het uitstellen van interpretatie in de praktijk vooral neerkomt op het uitstellen van verantwoordelijkheid. Zinnen als “ik wacht nog even af” kunnen, afhankelijk van de context, minder te maken hebben met maat houden en meer met niet willen ingrijpen. Openheid kan ook worden verward met neutraliteit: door “open te blijven voor alles” wordt vermeden om te benoemen wat wél benoemd moet worden, bijvoorbeeld grensoverschrijding of onrecht. Voorlopigheid kan een schuilplaats worden: het steeds opnieuw uitstellen van interpretatie verhindert dan dat er iets wordt erkend.

Daarnaast speelt de angst om verkeerd te interpreteren een rol. Uit vrees om te beschadigen of mis te zitten, kan iemand terugschrikken voor elke vorm van verwoording. Hermeneutisch lijkt dat een vorm van bescheidenheid, maar ethisch betekent het dat het risico voor de ander wordt vergroot. De ander blijft alleen staan met de last van de situatie.

Op dit punt wordt duidelijk dat hermeneutische openheid alleen werkt in combinatie met morele ontvankelijkheid. Anders wordt stilte een strategie in plaats van een oefening in luisteren.

2.3 Macht en asymmetrie in hermeneutische situaties

Hermeneutische tradities veronderstellen vaak impliciet een zekere gelijkwaardigheid tussen gesprekspartners. In de werkelijkheid is die symmetrie zelden aanwezig. Stilte “werkt” anders, afhankelijk van positie, rol, status en kwetsbaarheid.

Een leidinggevende die zwijgt, roept iets anders op dan een medewerker die zwijgt. Een ouder die stilvalt, heeft een ander effect op het verloop van een gesprek dan een kind dat stilvalt. Wanneer iemand in een afhankelijke positie zwijgt: een patiënt, leerling, cliënt, vrijwilliger, mag dat niet zonder meer geïnterpreteerd worden als instemming of als teken dat alles wel “goed” is.

Xavier Guillaume wijst erop dat stilte een sociaal mechanisme is dat de ordening van een gesprek beïnvloedt: wie spreekt, wie mag zwijgen, wie geacht wordt te zwijgen, wie gehoord wordt en wie niet. Stilte is in dit perspectief nooit een neutraal moment, maar altijd een interventie in de relationele orde. Daarom moet aan elke hermeneutische analyse van stilte de vraag worden toegevoegd wat deze specifieke stilte doet in deze machtsverhouding.

2.4 De noodzaak van verantwoording

Naast openheid vraagt hermeneutiek ook om verantwoording. Emilio Betti benadrukt dat interpreteren nooit een vrijblijvend spelen met mogelijkheden is, maar een activiteit die zich laat toetsen. Een interpretatie moet beargumenteerd worden, zodat zij corrigeerbaar blijft.

Toegepast op stilte betekent dit dat wie een stilte “leest”, zo precies mogelijk aangeeft wat hij of zij waarneemt, wat hij vermoedt, waarop dat vermoeden berust, wat nog onzeker is en hoe anderen die lezing kunnen corrigeren. Zonder deze verantwoording wordt stilte een vrijplaats waarin alles én niets kan gebeuren. Met verantwoording krijgt stilte structuur: zij wordt tijdelijk, gemotiveerd en aanspreekbaar.

2.5 De grens van hermeneutiek: niet alle stiltes zijn te duiden

Er zijn stiltes die beluisterd kunnen worden, maar niet begrepen. Dat geldt vooral bij verlies, depressie, trauma of plotselinge dood. In zulke situaties ontstaan stiltes die hermeneutisch open blijven omdat ze niet in bestaande taal- en betekeniskaders passen. De neiging om deze stiltes toch te interpreteren, door achteraf te zoeken naar signalen of tekens, of door het eigen handelen voortdurend te herkauwen, kan juist extra schade veroorzaken. Ze leidt snel tot schuldgevoel, schaamte en zelfverwijt.

Hermeneutiek moet daarom haar eigen grens erkennen. Waar betekenis niet te vinden is, verschuift de vraag van verstaan naar dragen: van interpretatie naar aanwezigheid, van duiding naar nabijheid. In die zone kan stilte niet meer worden gezien als methodische terughouding die tot beter begrip leidt, maar eerder als een manier om de onoplosbaarheid van het gebeuren uit te houden.

2.6 Overgang naar een ethiek van stilte

Op deze grens betreedt ethiek het veld. Stilte is nooit alleen een interpretatief fenomeen, maar altijd ook een moreel fenomeen: zij raakt aan verantwoordelijkheid, nabijheid, keuze, vrijheid en de mogelijkheid tot weigeren. Op het punt waar hermeneutiek niet meer kan beslissen wat nodig is, wordt de vraag urgent of stilte het appèl van de ander bewaart of juist dempt.

In het vervolg van dit artikel verschuift het perspectief daarom naar de ethiek van het gelaat: het onweerlegbare appèl dat van de ander uitgaat, onze vrijheid om daarop te antwoorden of het naast ons neer te leggen, en het onderscheid tussen ingehouden aanwezigheid en morele onttrekking. Dat vormt de kern van het volgende onderdeel.

 

3. De ethische kern – het onweerlegbare appèl en de weerstaanbare respons

Wanneer hermeneutiek ons leert hoe betekenis kan ontstaan, laat de ethiek zien wat wij in een ontmoeting verschuldigd zijn. Stilte krijgt in dit perspectief een andere lading: zij wordt een toets van onze bereidheid om aangesproken te worden door de Ander. Niet als techniek of communicatievorm, maar als morele beproeving. Levinas en Burggraeve bieden hier een taal die zichtbaar maakt waarom stilte nooit vanzelf deugdzaam is, en waarom juist de mogelijkheid om te weigeren de kern vormt van ethische betekenis.

3.1 Het gelaat: de bron van het onweerlegbare appèl

Voor Levinas begint ethiek niet in theorie, intentie of keuze, maar in de verschijning van het gelaat van de Ander. Het gelaat is geen verzameling kenmerken, maar een manier waarop de Ander mijn vanzelfsprekendheid onderbreekt. In dat verschijnen klinkt een appèl: hier ben ik; ik ben kwetsbaar; ik kan tekortgedaan worden.
Dat appèl is onweerlegbaar. Ik kan het niet wegdenken. Het treedt mij tegemoet vóór elke interpretatie.

Stilte kan in deze eerste beweging een ethische functie hebben. Zij maakt ruimte voor verschijning en voorkomt dat ik de Ander te snel in mijn eigen begrippen vang. Maar die ruimte wordt pas ethisch wanneer zij niet verdwijnt in vrijblijvendheid, maar ingebed is in aandacht en aanwezigheid.

3.2 De weerstaanbare respons: de tragiek én de mogelijkheid van ethiek

Het appèl van de Ander is niet dwingend. Levinas benadrukt dat wij altijd kunnen weerstaan. Die vrijheid is geen tekort, maar de voorwaarde voor moraliteit. Als ik niet anders kón handelen, zou verantwoordelijkheid geen verantwoordelijkheid zijn.

Hier krijgt stilte haar dubbelzinnige karakter. Zij kan het appèl van de Ander laten bestaan, of zij kan het dempen. Zij kan ruimte scheppen, of ruimte ontnemen.
Ethiek wordt zichtbaar in wat wij doen met deze vrijheid: of wij ons laten aanspreken, of wij de stilte gebruiken om niet aangesproken te hoeven worden.

3.3 De “huivering” als moreel oponthoud

Roger Burggraeve beschrijft het moment van ethische ontvankelijkheid als huivering: dat korte oponthoud waarin mijn routine breekt en het appèl van de Ander mij bereikt voordat ik weet wat er moet gebeuren. De huivering is geen schrik, maar een moreel oponthoud.

Stilte maakt die huivering mogelijk, maar kan haar ook afbreken. Wanneer zwijgen een manier wordt om niets te hoeven voelen, niets te hoeven erkennen, of niets te hoeven doen, slaat het om in morele onttrekking. Wanneer het zwijgen het oponthoud draagt zonder ervan weg te lopen, wordt het ethisch.

3.4 De kleine goedheid als ritme van spreken en zwijgen

Burggraeve noemt het passende handelen in zulke situaties “kleine goedheid”. Het gaat niet om grote theoretische gebaren, maar om het minimale spreken dat de Ander bevestigt zonder hem te koloniseren. Het gaat om precies genoeg woorden, precies genoeg nabijheid, precies genoeg handelen om het appèl niet te bezwaren, maar wel zichtbaar te houden.

In dit ritme zijn stilte en spreken geen tegenpolen. Zij wisselen elkaar af als twee manieren van zorg: terughouding waarin de Ander kan verschijnen, en taal waarin de Ander niet alleen gelaten wordt.

3.5 De schaduw: reductie en depersonalisatie

Waar de Ander kwetsbaar verschijnt, ontstaat ook de verleiding om die kwetsbaarheid te reduceren. Reductie neemt vele vormen aan: de Ander wordt casus, probleem of verhaal; stilte wordt camouflage; spreken wordt beheersing.
Zowel zwijgen als spreken kan de Ander depersonaliseren wanneer het de Ander niet langer laat verschijnen, maar hem plaatst binnen onze eigen categorieën.

Stilte wordt dan niet langer een vorm van retenue, maar van afstand. Niet een tijdelijk oponthoud, maar een afsnijding. De ethische vraag wordt dan: wat doet mijn terughouding met de Ander?
Niet: wat bedoelde ik?
Maar: wat wordt hierdoor zichtbaar en wat verdwijnt hierdoor?

3.6 De keerzijde van het goede: wanneer goede bedoelingen omslaan in schade

In veel morele tradities wordt gedacht dat goed handelen voortkomt uit goede intenties, en kwaad handelen uit kwade intenties. Volgens Levinas en Burggraeve is die visie ontoereikend. Het goede heeft een eigen schaduw.
Menselijk handelen is nooit transparant genoeg om intentie en effect te laten samenvallen. Wat als “zorg” bedoeld is, kan bij de Ander als afwijzing aankomen. Professioneel zwijgen dat uit respect voortkomt, kan als dreiging worden ervaren. Liefde kan isoleren. Voorzichtigheid kan ontkennen.

Het kwade ontstaat vaak niet uit slechte wil, maar uit het ontbreken van een kritische toetsing van het goede dat men meent te doen. Het is de tragiek van het goede dat in zijn eigen tegendeel kan omslaan. Grossmans Leven en Lot toont op historische schaal hoe een visie op gerechtigheid, zodra zij tot regime wordt, destructief kan worden. Maar hetzelfde mechanisme verschijnt op kleine schaal: in gezinnen, in zorgsituaties, in teams, in organisaties waar systemen van “kwaliteit”, evaluatie en zorgvuldigheid na verloop van tijd de oorspronkelijke bedoeling ondermijnen.

In veel morele tradities wordt gedacht dat goed handelen voortkomt uit goede intenties en kwaad handelen uit kwade intenties. Volgens Levinas en Burggraeve is die visie ontoereikend. Het goede heeft een eigen schaduw. Menselijk handelen is nooit transparant genoeg om intentie en effect te laten samenvallen. Wat als “zorg” bedoeld is, kan bij de Ander als afwijzing aankomen. Professioneel zwijgen dat uit respect voortkomt, kan als dreiging worden ervaren. Liefde kan isoleren. Voorzichtigheid kan ontkennen.

Christian Duquoc spreekt in dit verband over “le mal, énigme du bien”: het kwade als raadselachtige keerzijde van het goede. Het kwade hangt niet in de eerste plaats af van de innerlijke gezindheid, maar van de werking van daden en stiltes in een sociaal systeem. Een zwijgen kan voortkomen uit de beste bedoelingen, en toch structureel onrecht in stand houden. Burggraeve beschrijft in dezelfde lijn hoe systemen van zorg, veiligheid of rechtvaardigheid kunnen verstenen en uiteindelijk de oorspronkelijke goede intentie tegenspreken. Het goede slaat dan, als systeem, om in zijn tegendeel.

3.7 Het face-to-face als moreel ijkpunt

In deze spanning tussen goede intentie en mogelijk schadelijk effect verschijnt het face-to-face als het enige betrouwbare morele criterium. Ethiek vindt niet plaats in abstracties, categorieën of systemen, maar in de ontmoeting met deze Ander, nu.

Het gelaat van de Ander: deze kwetsbaarheid, deze blik, dit verschijnen,  doorbreekt elke theoretische zekerheid.

Hier wordt stilte getoetst. Niet door wat zij bedoelt, maar door wat zij doet in deze ontmoeting. Niet door haar plaats in een systeem, maar door haar effect in het face-to-face.

Een stilte die de Ander laat verdwijnen, is onttrekking, ook wanneer zij bedoeld was als zorg.
Een stilte die de Ander laat verschijnen, is ethisch, ook wanneer zij onhandig of onvolmaakt is.

3.8 Stilte als morele keuze

Stilte is nooit neutraal. Zij kan dragen, bewaren en ruimte scheppen, maar zij kan ook dempen, verhullen en afsnijden. Zij vraagt om voortdurende toetsing: vergroot mijn zwijgen de ruimte van de Ander, of vernauwt het die?

Ethiek ontstaat precies op het punt waar die vraag serieus wordt genomen.
Daar, in de huivering van het face-to-face, begint het morele werk.

4. Drie casussen – stilte in haar vruchtbaarheid en in haar schaduw

In dit hoofdstuk volgen drie scènes waarin stilte een beslissende rol speelt. Ze worden hier weergegeven zoals zij zich hebben voorgedaan, zonder analyse of duiding. Pas in de andere hoofdstukken wordt op deze casussen teruggegrepen. Hier mogen ze eerst gewoon verschijnen.

4.1 De vrouw en de witte kast – stilte als ruimte voor verschijnen

In een zorginstelling ontmoet ik een vrouw van zesentachtig. Door haar ziekte kan zij niet meer spreken. Wanneer ik haar kamer binnenkom, valt op dat haar blik voortdurend gericht blijft op de donkere kast tegenover haar bed. De ruimte is rustig, het raam naar de tuin staat open. Haar blik is smal, niet afwerend, maar geconcentreerd. Het is alsof de kast iets vasthoudt wat mijn blik niet kan bereiken.

Ik ga naast haar zitten en volg haar ogen.
De stilte is voelbaar, niet gespannen, maar aanwezig.
Na enige tijd vraag ik wat ze ziet, maar er komt geen antwoord.
Haar hand rust op haar schoot, haar ademhaling is traag.
Wanneer ik haar hand neem en voorzichtig naar de kast beweeg, legt zij haar vingers op het hout.
Het gebaar herhaalt zich: aanraken, loslaten, weer aanraken.

Op tafel ligt een kunstboek. Ik blader en toon haar de kleuren, één voor één. Wanneer haar vinger bij wit komt, knikt ze.
We proberen het opnieuw, en weer kiest ze wit.
Ik weet niet wat het betekent, maar het gebaar keert terug, alsof wit de enige kleur is die rust brengt.

Enkele weken later ontvang ik een foto: de kast is wit geschilderd. Zij staat ernaast, glimlachend, een kwast in haar hand.

Deze scène laat zien dat stilte geen passieve toestand is, maar een vorm van aandachtige aanwezigheid. In de fenomenologische zin ontstaat betekenis niet doordat iemand verklaart wat er gebeurt, maar doordat iemand zich laat raken door wat zich toont. Het had gemakkelijk weggezet kunnen worden als willekeur of als gedrag dat past binnen een diagnose, maar door te vertragen bleef er ruimte voor mijn eigen aanwijzing.

Stilte functioneerde hier als hermeneutisch oponthoud én als ethische erkenning: het was geen afwezigheid, maar een manier om niet vóór haar te spreken, niet in haar plaats te denken, maar te wachten tot haar keuze zichtbaar werd. Geen grote theorie, maar een precies gebaar van respect: ruimte laten zonder te verdwijnen.

4.2 Het gezin in het stadion – stilte als onderbreking van een orde

Het was een lentedag. De zon hing laag boven het stadion en het veld glansde in het felle licht.
Een man zat naast zijn vrouw, hun zoontje tussen hen in. Hij was jarig, hij was vijf jaar geworden.
Het jongetje droeg een pet met het logo van zijn club, de rand iets te groot voor zijn hoofd.
Hij hield de hand van zijn vader vast.

De wedstrijd begon. De vader bestelde een biertje, daarna nog een, en nog een.
De woorden werden luider, de zinnen korter.
Hij schold op de scheidsrechter, op de tegenpartij, op zijn eigen team.
De vrouw vroeg hem te stoppen, wat hij niet deed. Daarna keek ze alleen nog op haar telefoon.
Het jongetje zweeg.

Een paar stoelen verder stond iemand te kijken.
Hij kende hen niet, maar had gehoord dat het kind jarig was.
De stem van de man sneed door het gejoel; de spanning was voelbaar tot op de tribune.

Tijdens de rust liep hij langzaam naar beneden, bleef even staan bij hun rij en zei tegen de vrouw, die daar op dat moment alleen stond:
‘Gefeliciteerd met jullie zoon.’

De vrouw glimlachte kort.
Hij liep terug naar zijn plek.
De tweede helft begon, het lawaai hervatte zich.
Hij zei niets meer.
Toen het fluitsignaal klonk, liep hij de tribune af, zonder om te kijken.

Stilte functioneert hier niet als oponthoud, maar als contrapunt. Ze maakt het mogelijk dat één zin anders klinkt dan alle andere woorden op dat moment. Het is geen interventie die analyseert of corrigeert, maar een die de relationele orde subtiel verschuift. De zin noemt niets van wat er misgaat, en toch raakt hij aan de kern: het kind wordt gezien, niet als probleem, maar als iemand met waarde.

In dit kleine moment schuilt een vorm van ethiek die Burggraeve “kleine goedheid” noemt. Je neemt niet de rol van expert of redder op je. Je gaat niet op de toonbank van moraal staan. Je spreekt slechts dat ene wat gezegd moet worden, op een manier die niet annexeert, niet beschuldigt, maar wél ruimte maakt voor een andere betekenislaag.

Stilte werkt hier als tegenkracht: zij doorbreekt de logica van luidruchtige correctie en legt een andere mogelijke verhouding bloot. Een onderbreking zonder oordeel, een kleine zichtbaarheid voor het kind, zonder het gezin te overschaduwen.

4.3 De vriend die stierf – stilte als onduidbaarheid en morele grens

Hij had het niet aangekondigd.
Geen brieven, geen woorden die achteraf als signaal te lezen waren.
Alleen een gewone dag, waar niets wees op wat hij ging doen.

De dag dat de politie belde over zijn vermissing,
vroegen ze waar ik dacht dat hij kon zijn.
Zonder nadenken zei ik: in het water.
Ik wist niet dat dat de waarheid zou worden.

Toen het bericht kwam dat hij niet meer leefde,
voelde ik geen boosheid, maar iets dat stiller was: verbijstering zonder richting.

In de weken die volgden keek ik vaak naar foto’s van en met hem.
Zijn glimlach had iets schuins, alsof hij altijd iets achterhield —
een gedachte, een grap, iets wat onuitgesproken bleef.

Ik probeerde te herinneren of ik iets had kunnen zien:
een verandering in toon, een vertraagde reactie,
een stilte die ik toen niet hoorde.

Mensen vroegen of ik signalen had gemist.
Ik wist het niet.
Ik had niets gezien wat ik als teken kon verstaan,
en toch voelde het alsof ik iets had laten liggen.

Zijn dood maakte een leegte die niet alleen afwezigheid was,
maar een vraag zonder adres: waar was ik?

Recent liep ik naar de stembus, een dag van de democratie,
iets wat hij altijd belangrijk had gevonden.
De lucht was koud.
In het geluid van mijn stappen hoorde ik iets van hem.
Ik zag een roodborstje op de weg voor het stemlokaal,
alsof hij niet weg, maar juist heel dichtbij was.
Een aanwezigheid zonder vorm, maar ook zonder antwoord.

Dit is het kwetsbaarste moment: wanneer de vraag naar betekenis verandert in de vraag wat je gemist hebt. De hermeneutiek raakt hier haar grens. Niet alles is te begrijpen. Niet alles laat zich lezen. Niet alle stiltes wijzen ergens op. Soms is stilte geen teken, maar een breuk in het levensverhaal, iets wat buiten het netwerk van betekenissen valt.

In deze situatie toont stilte haar donkerste kant: niet als ruimte voor verschijnen, maar als onduidbaarheid die geen antwoord teruggeeft. Een “vraag zonder adres”, zoals jij het schreef. De ethiek verschuift hier van verstaan naar dragen: aanwezig blijven in een werkelijkheid die niet te ordenen is. De stilte wordt geen keuze, maar een toestand die beleefd moet worden met zachtheid en zonder haast.

En toch, hoe vreemd het klinkt, blijft er een relationele rest. Op de weg naar het stemlokaal, twee jaar later, was er een roodborstje. Een klein, terloops moment, een aanwezigheid zonder vorm. Niet als troost, niet als boodschap, maar als verschijning die de breuk niet herstelt, maar wel meedraagt. Een stille beweging die laat voelen dat iets of iemand kan blijven bestaan buiten woorden, buiten verklaringen, buiten begrijpen.

Deze casus maakt duidelijk dat de schaduwzijde van stilte niet alleen bestaat uit morele onttrekking, maar ook uit de onduidbaarheid van het leven zelf. Ethiek kan hier niets “herstellen”, maar wel een houding bieden: aandachtig aanwezig blijven zonder verklaringsdwang. Soms is dat het enige wat mogelijk is.

5. Typologie van schaduwstiltes: wanneer stilte omslaat in onttrekking

5.1 Morele camouflage: de stilte die verbergt

Morele camouflage ontstaat wanneer iemand zwijgt op momenten waarop spreken moreel noodzakelijk is. Ze komt voor in situaties waarin ongemak, conflict of onrecht aanwezig is, maar niemand zich geroepen voelt dit te benoemen. De stilte wordt dan niet gedragen door aandacht, maar door vermijden. Zij werkt verzachtend voor de omstanders en verzwakkend voor degene die kwetsbaar is.

Camouflage maakt gebruik van het positieve imago van stilte. Het lijkt bescheidenheid, maar het is terugtrekking. Het lijkt respect, maar het is feitelijk verwijdering. Deze vorm van stilte heeft iets dubbelzinnigs: zij voorkomt pijn op korte termijn, maar vergroot pijn op langere termijn. Zij houdt een façade van rust in stand, terwijl de onderliggende verhouding niet wordt hersteld.

In hermeneutische termen sluit morele camouflage de vraagbaarheid van een situatie af. Waar terughoudendheid zou moeten dienen om beter te begrijpen, wordt zij gebruikt om juist niet te hoeven begrijpen. In ethische termen wordt het onweerlegbare appèl van de ander niet erkend, maar toegedekt. De huivering – dat korte moment van morele ontvankelijkheid – wordt vermeden in plaats van ontvangen.

De werking van camouflage is subtiel maar krachtig. Ze houdt spanningen stil, maar niet op een manier die uitnodigt tot ontmoeting. Het is stilte als stilleggen, niet als ruimte scheppen. De vraag die hier centraal staat, is: wie wordt beschermd door deze stilte, en wie blijft erdoor alleen achter?

5.2 Machtsstilte: de stilte die regeert

Machtsstilte ontstaat wanneer degene met macht zwijgt, en juist door dat zwijgen druk uitoefent. Het is de stilte van leidinggevenden die geen uitleg geven, van professionals die hun oordeel uitstellen zonder te communiceren, van instanties die niet reageren terwijl mensen wachten op duidelijkheid. Machtsstilte wordt vaak ervaren als dreiging: zij vult zich met gedachten, angsten, interpretaties, scenario’s.

Het bijzondere aan machtsstilte is dat zij, anders dan morele camouflage, niet per se voortkomt uit onwil. Soms is zij bedoeld als zorgvuldigheid, soms als afweging, soms zelfs als respect. Maar de werking ervan is anders. Omdat stilte percipieerbaar is als gebeurtenis, wordt het zwijgen van degene die macht heeft al snel gelezen als oordeel, afwijzing of onzekerheid. Stilte wordt dan een instrument van druk, ook wanneer zij zo niet bedoeld is.

Hermeneutisch werkt machtsstilte als eenzijdige regie. Alleen de machtige mag bepalen wat de stilte betekent. Wie afhankelijk is, heeft geen invloed op de interpretatie ervan. De stilte is dan niet een ruimte om betekenis te laten verschijnen, maar een leegte die door de ander moet worden opgevuld.

Ethisch gezien wordt het appèl van degene die afhankelijk is niet gehoord. Het wordt weggeschoven door een terughoudendheid die geen richting geeft en niet aanspreekbaar is. De weerstaanbare respons, waarin eigenlijk iets kleins gezegd zou moeten worden, blijft uit.

Machtsstilte laat daarmee zien hoe kwaad niet altijd uit “slechte wil” hoeft voort te komen. Zij kan ook ontstaan uit goedbedoelde terughoudendheid die niet wordt getoetst aan haar werking in het geheel van relaties. In de termen van Duquoc: het kwade verschijnt hier als schaduw van het goede, zichtbaar in de effecten van wat men níet zegt en níet doet.

De vraag die bij machtsstilte hoort, is: neemt mijn zwijgen verantwoordelijkheden weg, of leg ik ze ermee juist neer bij de Ander?

5.3 Procedurele stilte: de stilte die vooraf bepaald is

Procedurele stilte is een stilte die door een systeem of organisatie vooraf is ingevuld. Ze komt voor in rituelen, protocollen, standaardcommunicatie en digitale processen. In zulke contexten wordt de betekenis van stilte niet gevonden in de ontmoeting, maar vooraf vastgelegd: wie niet reageert, stemt in; wie stil is, is akkoord; wie zwijgt, bevestigt. De minuut stilte die als “waardig” wordt gecommuniceerd, ook wanneer dat niet overeenkomt met wat er feitelijk gebeurde, is hiervan een voorbeeld.

Procedurele stilte heeft als kenmerk dat zij niet verschijnt als oponthoud, maar als een vorm van beslissingsmacht. Zij vereenvoudigt, stroomlijnt en sluit af. Zij beschrijft niet wat iemand ervaart, maar bepaalt wat iemand zou moeten ervaren. Daardoor duwt procedurele stilte individuele ervaringen naar de marge. Zij duldt geen afwijking.

Hermeneutisch gezien is procedurele stilte een paradox: zij biedt geen ruimte om iets te verstaan, maar neemt juist vooraf de interpretatie in beslag. Ethisch dempt zij het appèl van betrokkenen. Wat wordt gezegd, is al gezegd vóórdat het wordt beleefd. Daardoor kan de verantwoordelijkheid om werkelijk te luisteren buiten beeld raken.

Ook hier gaat het niet om boze intenties, maar om een systeem dat zijn eigen goede bedoelingen gaat tegenspreken. De oorspronkelijke zorg voor orde, zorgvuldigheid of waardigheid slaat om in een vorm van morele blindheid. Het is precies deze omslag die Duquoc aanduidt als “het kwade als enigma van het goede”.

De cruciale vraag bij procedurele stilte luidt: wie heeft bepaald wat deze stilte betekent, en wie wordt daarmee uitgesloten?

5.4 Esthetische stilte: de stilte die mooier klinkt dan zij is

Esthetische stilte is de stilte die eruitziet als rust, als waardigheid, als zorgvuldigheid, maar in werkelijkheid vooral een emotionele of sociale behoefte vervult van de omstanders. Zij komt voor in rituele situaties, zorgmomenten en professionele gesprekken waarin mensen liever schoonheid bewaren dan ongemak toelaten.

In de esthetische stilte wordt het conflict niet benoemd, de pijn niet erkend, de urgentie niet aangeraakt. Alles blijft netjes. Alles blijft beheerst. Maar onder die beheersing schuilt vaak een vorm van afwijzing: wat echt speelt, krijgt geen taal, geen ruimte, geen gezicht.

Hermeneutisch zorgt esthetische stilte voor een versmalling van betekenis. De stilte wordt een verhaal op zichzelf: hier is het “goed”, “plechtig”, “waardig”. Maar die verhalen zijn vaak defensief; ze dienen om niet geraakt te hoeven worden. Ethisch gezien wordt het appèl van degene die lijdt of zoekt naar contact niet ontvangen, maar gladgestreken.

De toetsvraag bij esthetische stilte is: komt deze stilte voort uit de situatie, of uit onze behoefte om de situatie te beheersen?

5.5 Traumastilte: de stilte die niets kán zeggen

Traumastilte ontstaat wanneer iemand door shock, angst, dissociatie, verlies of overbelasting niet kan spreken. Het is stilte zonder agency, stilte die geen keuze is. Deze vorm van stilte wordt in professionele contexten vaak verkeerd gelezen als onwil, als passiviteit, als gebrek aan medewerking of als emotionele terugtrekking.

Neurowetenschappelijk onderzoek maakt duidelijk dat stilte door anderen actief wordt waargenomen als gebeurtenis. Daarmee wordt traumastilte gemakkelijk misverstaan als signaal van desinteresse of afstand. Juist daarom moet traumastilte altijd met voorzichtigheid worden benaderd: zij vraagt niet om interpretatie, maar om bescherming.

Hermeneutisch is dit de stilte die de grens van verstaan markeert. Er ís niets te duiden omdat het subject niet in staat is tot uitdrukking. Ethisch verschuift de verantwoordelijkheid daarom nog nadrukkelijker naar degene die aanwezig is. Stilte moet zichtbaar worden gemaakt, begrensd, gedragen. Niet invullen, niet forceren, niet bezitten – maar nabij blijven en aanspreekbaarheid behouden.

De enige passende vraag bij traumastilte is: hoe kan ik aanwezig zijn zonder iets van je te vragen wat je niet kunt geven?

Met deze typologie verschuift het artikel van verschijning naar analyse. Stilte wordt niet meer alleen gezien als mogelijkheid tot luisteren, maar als een complex moreel verschijnsel dat voortdurend vraagt om onderscheiding: welke stilte houdt de ander zichtbaar, en welke laat hem verdwijnen?

In het volgende onderdeel wordt dit analytisch kader vertaald naar praktische implicaties: hoe handelen we, in organisaties en relaties, met maat binnen deze ambiguïteit?

6. Praktische implicaties – hoe stilte weer ethisch wordt

De voorgaande analyses laten zien dat stilte nooit vanzelf deugdzaam is. Ze krijgt haar waarde pas in de manier waarop zij wordt geadresseerd, begrensd en ingebed in een relationele context. In dit onderdeel gaat het niet meer om classificeren of uitleggen, maar om handelen: welke houding, welke taal en welke vormen van aanwezigheid helpen ons om het appèl van de ander hoorbaar te houden?

Praktisch gezien gaat het om drie uitgangspunten die steeds terugkeren in zowel hermeneutiek als ethiek: stilte moet zichtbaar zijn, aanspreekbaar blijven en corrigeerbaar zijn. Stilte die niet aan deze drie voorwaarden voldoet, loopt het risico een schaduwzijde te worden.

6.1 Stilte zichtbaar maken – adresseren

Stilte kan alleen als ethische handeling functioneren wanneer zij geadresseerd is. Dat betekent dat de ander weet dat de stilte niet willekeurig is, niet afwijzend, en niet bedoeld als machtsinstrument of terugtrekking, maar als een bewuste vorm van aandachtige aanwezigheid.

Zichtbaar maken betekent niet dat elke stilte moet worden uitgelegd, maar wel dat de context ervan helder is. In zorg, onderwijs, leidinggeven, maar ook in intieme relaties blijkt dat mensen stilte snel interpreteren als afstand of oordeel wanneer het doel ervan niet benoemd wordt. Een kort markeren – “Ik ben even stil om goed te luisteren”, “Ik denk even na, ik kom zo terug”, “Ik blijf hier, ook als ik niets zeg” – is vaak voldoende om de relationele spanning weg te nemen.

Adresseren is een vorm van verantwoordelijkheid: het maakt de stilte geen raadsel, maar een keuze.

6.2 Ruimte maken zonder leegte – begrenzen

Ruimte laten is iets anders dan leegte creëren. Ruimte ontstaat door een maat te vinden tussen terughoudendheid en respons: genoeg stilte om de ander te laten verschijnen, genoeg aanwezigheid om niet te verdwijnen. Deze balans vraagt om begrenzing.

Begrenzen betekent dat stilte een begin en een einde heeft. Dat geldt zowel voor gesprekssituaties als voor organisatorische contexten. Terughoudendheid krijgt pas betekenis wanneer zij is ingebed in een ritme: even wachten, dan één zin zeggen; een korte pauze, dan benoemen wat nog openliegt. Wanneer stilte onbegrensd wordt, ontstaat het risico dat zij overgaat in onttrekking. Dat kan onbedoeld zijn, maar het effect blijft hetzelfde: de ander blijft met de last.

Een begrensde stilte laat zien dat luisteren geen eindeloos uitstel is, maar een gericht oponthoud. Zij verbindt aandacht met verantwoordelijkheid.

6.3 Erkennen wat je invult – toetsbare voorlopigheid

Elk mens leest stilte door zijn eigen geschiedenis, verwachtingen en angsten. Dat is onvermijdelijk. Maar wanneer die vooronderstellingen niet worden getoetst, ontstaat projectie: de ander wordt ingevuld in plaats van gehoord.

Toetsbare voorlopigheid betekent dat iemand benoemt wat hij ziet en waar hij nog twijfelt. Het is een bescheiden manier van spreken die geen bezit neemt, maar wel perspectief biedt. Zinnen als “Wat ik denk te zien is… corrigeer me als dit niet klopt” voorkomen dat stilte wordt opgevuld met interpretaties die niet worden teruggekoppeld.

Deze hermeneutische verantwoording voorkomt dat stilte een instrument van asymmetrische macht wordt. Door het voorlopige te benoemen blijft de ander subject, niet object van onze interpretatie.

6.4 Minimaal en corrigeerbaar spreken – het ethische ritme

Soms is stilte onvoldoende. Soms vraagt de situatie om een klein gebaar, een zin, een handeling die het appèl van de ander bevestigt. In zulke momenten is de uitdaging om niet te veel te spreken, maar precies genoeg. Burggraeve noemt dit “kleine goedheid”: handelen dat niet annexeert, niet overschrijft, maar ondersteunt.

De ethische vraag luidt dan: wat is het kleinste dat ik kan doen om de ander niet alleen te laten?

Het antwoord is vaak eenvoudig: één zin die richting geeft (“Ik blijf tot de ochtend”), één beweging die zorg markeert (een glas water, een hand op de rug), één vraag die de ander uitnodigt tot correctie (“Is dit goed voor jou?”). Het gaat niet om uitleg of grote gebaren, maar om het zichtbaar houden van de relationele band.

Stilte krijgt in dit ritme haar waardigheid terug: zij vormt de ruimte vóór het gebaar, en de ruimte ná de zin.

6.5 Grenzen van stilte – wanneer zwijgen moet wijken

Er zijn momenten waarin stilte moet breken omdat zij anders schadelijk wordt. Dat geldt in situaties van onveiligheid, grensoverschrijding, isolement en acute emotionele ontregeling. Zwijgen uit respect is dan geen deugd, maar een vorm van medeplichtigheid. Zwijgen uit voorzichtigheid kan onbedoeld de kwetsbaarste laten vallen.

De toets is eenvoudig, maar niet licht: als de Ander gevaar loopt, of wanneer de waardigheid van iemand dreigt te verdwijnen uit het zicht, moet stilte wijken voor minimaal spreken. Niet omdat woorden alles oplossen, maar omdat zwijgen daar ethisch ontoereikend is.

In zulke situaties is spreken niet het tegenovergestelde van stilte, maar een vorm van bescherming.

6.6 Stilte als gedeelde verantwoordelijkheid

De kern van alle praktische implicaties is dat stilte nooit een privé-gebeuren is. Zij bestaat altijd tussen mensen, in relaties, in structuren, in praktijken. Daarom vraagt ethische stilte om gedeelde verantwoordelijkheid. Niet alleen degene die zwijgt draagt verantwoordelijkheid, maar ook degene die luistert, kijkt, merkt, aanwezig is.

De vraag die iedereen in een gesprek, een team of een relatie kan stellen, luidt:
Wie draagt nu de last van deze stilte? En is dat de juiste persoon?

Wanneer stilte wordt herkend als een relationele beweging in plaats van een individuele handeling, kan ze opnieuw functioneren als onderdeel van wederkerigheid en zorg. Ze wordt dan niet een terugtrekking in het eigen innerlijke, maar een manier om samen een vorm van aandacht te bewaren die beide partijen dient.

7. Slotbeschouwing – Stilte als beproeving van aanwezigheid

In dit artikel stond niet de schoonheid van stilte centraal, maar haar dubbelzinnigheid. Stilte werd zichtbaar als een beproeving: een grensmoment waarop dichtbij en veraf, spreken en zwijgen, zorg en ontduiking in elkaar grijpen. Anders dan in artikel 1, waar stilte vooral verscheen als een mogelijkheid tot zorgende terughouding, is hier duidelijk geworden dat stilte ook een risico draagt: zij kan beschermen, maar even gemakkelijk verhullen; zij kan ruimte scheppen, maar ook ruimte ontnemen.

Fenomenologisch gezien is stilte nooit een leegte. Bij Husserl is zij een opschorting van vanzelfsprekendheid: een reductie die oordeel tijdelijk uit de weg zet zodat verschijnen mogelijk wordt. Die opschorting is geen uitkomst maar een begin, een oefening in ontvankelijkheid. Het criterium blijft of wij werkelijk laten verschijnen vóór we duiden of ingrijpen. In de casussen bleek dat soms mogelijk (de kast, het stadion), en soms onmogelijk (het verlies van een vriend), omdat niet elke stilte een toegang tot betekenis biedt. Stilte kan iets tonen, maar zij garandeert niets.

Merleau-Ponty herinnert ons eraan dat deze ontvankelijkheid belichaamd is. Betekenis ontstaat niet in een zuiver innerlijk bewustzijn, maar in het oponthoud tussen indruk en begrip, in handen die aarzelen, in blikken die blijven rusten, in passen die vertragen. Stilte is in die zin niet alleen temporale pauze, maar een lichamelijk meebewegen: een afstemming waarin onze aanwezigheid voelbaar wordt zonder dat zij overneemt. Die belichaamde pauze is tegelijk eenvoudig en veeleisend. Zij confronteert ons met onzekerheid: wat zie ik hier, wat vraagt dit van mij, hoe lang wacht ik? Dat maakt stilte tot een morele oefening.

Maar het antwoord op deze vragen ligt niet in fenomenologie alleen. Ethiek begint, bij Levinas, in de onderbreking door het gelaat van de Ander: het appèl dat niet gevraagd heeft om mijn aanwezigheid, maar zich desondanks toont als iets waartoe ik mij moet verhouden. In dat appèl schuilt de dubbele mogelijkheid die de kern vormt van dit artikel: ik kan antwoorden, en ik kan weigeren; ik kan nabij zijn, of mij terugtrekken; ik kan stilte laten dragen, of haar gebruiken om mij te onttrekken. Stilte onthult dus minder onze intenties, en eerder onze neiging tot verantwoordelijkheid, of onze behoefte om die te ontwijken.

Burggraeve maakt die spanning concreet in wat hij de huivering noemt: het moment waarop weten en routine terugwijken en verantwoordelijkheid vóór begrip komt te staan. In die huivering wordt stilte ethisch waar zij aanspreekbaar blijft; zij wordt problematisch waar zij een alibi wordt om niets te hoeven aangaan. De casussen tonen dat het criterium niet ligt in de vorm – spreken of zwijgen – maar in het effect: wat wordt door mijn terughouding zichtbaar, en wat verdwijnt erdoor? Het is steeds de kwetsbaarste die de maat bepaalt. Dat maakt stilte tot een tere, maar noodzakelijke ethische praktijk.

Guillaume helpt om deze praktijk niet alleen te lezen op betekenis, maar op werking. Stilte doet iets: zij ordent, onderbreekt, bevestigt, verschuift. In het stadion veranderde één zin, ingebed in stilte, de relationele richting; in de zorgkamer maakte stilte een keuze mogelijk; in rouw liet stilte iets bestaan wat niet in taal paste. Maar stilte kan ook bevestigen wat schadelijk is, zoals bij machtsstilte of procedurele stilte. De vraag verschuift dan onvermijdelijk van intentie naar effect: wat heeft dit zwijgen teweeggebracht in deze relatie en in deze context?

Wat overblijft is geen eenvoudig oordeel over stilte, maar een houding. Stilte vraagt om nabijheid zonder kolonisatie, om aandacht zonder bezit, om terughouding zonder verdwijnen. Zij vraagt om een beweging die zich toedraagt tot de ander zonder zichzelf te verliezen. De ethiek van stilte is daarom geen techniek, maar een manier van aanwezig blijven: precies genoeg spreken om niet te verdwijnen, precies genoeg zwijgen om de ander niet te overschreeuwen.

Als er één conclusie uit dit artikel naar voren komt, is het dat stilte geen eigenschap is van een persoon, maar een vorm van relationele waakzaamheid. Zij vraagt telkens opnieuw om onderscheiding:

Vergroot mijn terughouding de ruimte van de ander, of laat zij hem juist verdwijnen?
Maakt mijn zwijgen aanspreekbaarheid mogelijk, of dempt zij het appel dat wordt gedaan?
Ben ik nog aanwezig, of ben ik mij ongemerkt terug gaan trekken?

In die vragen wordt duidelijk waarom stilte altijd een beproeving blijft. Geen zekerheid, geen methode, maar een vorm van menselijkheid: een manier om nabij te blijven waar woorden hebben opgegeven, en om te spreken waar zwijgen niet langer zorgvuldig is.

Breda, 20 november 2025

Corine Jansen