De Assymetrie – Waarom de Ander mij voorafgaat (4/24)

De vraag die door deze reeks heen loopt, verandert gaandeweg van vorm. Aan het begin stelde ik haar nog ongeveer zo: wat gebeurt er met ons denken als de Ander werkelijk het middelpunt wordt, en niet wijzelf? Bij Levinas blijkt al snel dat die formulering te eenvoudig is. Hij schuift het ik niet opzij om de Ander op diens plaats te zetten. Er komt geen nieuw middelpunt voor in de plaats. Er gebeurt iets anders. Het ik verliest zijn vanzelfsprekende voorrang.

Daarmee komen we bij het onderwerp dat in dit deel centraal staat: asymmetrie.

Asymmetrie

Met asymmetrie bedoelt Levinas dat de verhouding tot de Ander niet begint vanuit evenwicht, gelijkheid of wederkerigheid. Zij begint met een aanspraak. De Ander verschijnt niet eerst als iemand die ik op afstand kan bekijken, begrijpen of een plaats kan geven binnen mijn wereld. Diegene verschijnt als iemand die mij aangaat. Daarin schuilt het ongebruikelijke van Levinas’ denken. Verantwoordelijkheid volgt niet pas op mijn keuze, maar gaat daaraan vooraf. Zij overkomt mij eerder dan dat zij uit mij voortkomt. (1)

Dat hangt samen met wat Levinas het gelaat noemt, le visage. Het gelaat is niet eenvoudigweg het zichtbare gezicht. Het is de verschijning van de Ander als iemand die niet opgaat in wat ik zie, weet of van degene maak. In het gelaat verschijnen kwetsbaarheid en gezag. Niet de macht die dwingt, maar de aanspraak die mij aanspreekt. Burggraeve noemt die aanspraak een ongewapend gezag: zij dwingt niets af, maar laat mij ook niet ongemoeid.

Een ervaring van voorafgaande verantwoordelijkheid

Om te voelen hoe ongewoon die gedachte is, helpt een eenvoudig moment uit het alledaagse leven. In Sainte-Maxime, in Zuid-Frankrijk, zag ik op straat een vrouw boven een mangat staan schreeuwen. Twee benen staken omhoog uit het gat. Zonder met mijzelf te overleggen liep ik erheen, pakte de benen vast en tilde degene die eraan hing overeind. Pas daarna zag ik dat het een jongen was van een jaar of acht. Pas daarna hoorde ik dat hij van zijn moeder een gevallen hotelsleutel moest zoeken.

Wat mij in dat moment bijbleef, was de volgorde. Het antwoord was er al voordat ik het als antwoord had geformuleerd. Ik had niets besloten. Ik had niemand beloofd te helpen. Ik kende deze mensen niet en toch was ik al betrokken. In zulke momenten wordt Levinas’ gedachte concreet. De Ander staat niet eerst op afstand, wachtend tot ik besluit of ik mij tot diegene wil verhouden. De aanwezigheid van de Ander heeft mij al bereikt.

Daarin ligt voor mij de ethische kracht van asymmetrie. Levinas houdt vast aan iets wat in veel morele theorieën snel verdwijnt: dat verantwoordelijkheid soms eerder aan de orde is dan keuze. Wie pas verantwoordelijk wordt nadat alles is afgewogen, komt misschien te laat. In de ontmoeting met de Ander is het appèl vaak eerder dan het oordeel. Het lichaam begrijpt soms sneller dan het denken.

Toch schuilt in deze onmiddellijke, asymmetrische reactie geen blinde dwangbuis. De theoloog Roger Burggraeve maakt hier een even prachtig als cruciaal onderscheid: het appèl van de Ander is weliswaar onweerlegbaar, maar het is nadrukkelijk niet onweerstaanbaar. De nood van de jongen boven de put in Sainte Maxime was een onweerlegbaar feit; de situatie greep mij aan nog vóór ik haar volledig overzag. Maar mijn snelle reactie daarop was geenszins een blinde natuurwet of een geprogrammeerde reflex. Ik had in al mijn vrijheid kunnen wegkijken, in paniek kunnen bevriezen of simpelweg kunnen doorlopen.

Als het appèl van de Ander onweerstaanbaar zou zijn, bleef er van onze menselijke verantwoordelijkheid en ethische vrijheid niets over. Er is immers pas sprake van een waarachtig ethisch leven als we ook de existentiële vrijheid hebben om onethisch te zijn en de roep te negeren. Juist het pijnlijke feit dat we het appèl van de Ander klakkeloos kúnnen weerstaan, maakt de lichamelijke impuls om bij de put wél direct in te grijpen tot een wezenlijke, vrije ethische handeling.

De kracht en de moeite van asymmetrie

Toch ligt hier ook mijn aarzeling. Ethisch gezien begrijp ik wat Levinas wil beschermen. Praktisch vind ik het ingewikkeld. Samenleven bestaat zelden uit één richting van verantwoordelijkheid. Mensen leven met elkaar, begrenzen elkaar, doen elkaar tekort, herstellen iets, en vragen ook zelf bescherming, zorg en recht. In vriendschap, liefde, zorg, ouderschap, politiek en instituties speelt wederkerigheid voortdurend mee. Dat betekent niet dat Levinas ongelijk heeft. Wel dat asymmetrie zich in het alledaagse leven niet gemakkelijk in zuivere vorm laat volhouden.

Die spanning voel ik niet alleen. Op dit punt is Levinas’ denken ook vaak bekritiseerd.

Buber en de vraag naar wederkerigheid

Die kritiek wordt scherp zichtbaar in het verschil met Martin Buber. Levinas schuift Buber niet achteloos terzijde. Hij noemt hem een pionier en erkent zijn betekenis voor het denken over de intersubjectieve relatie. (5) Juist daarom weegt het verschil tussen hen zwaar. Waar Buber de verhouding tussen Ik en Jij vanaf het begin als wederkerig beleeft, legt Levinas het beginpunt elders. Voor hem begint de relatie niet in wederzijdse gelijkheid, maar in asymmetrie: in het besef dat het ik al aan het jij verschuldigd is voordat er sprake is van evenwicht of uitwisseling.

Ook bij Buber staat de ontmoeting met de Ander centraal. Ook daar verschijnt de Ander niet als object, maar als Jij. Toch krijgt de verhouding bij hem een andere kleur. In de Ik-Jij-relatie ligt het accent op wederkerigheid. Beiden staan in de ontmoeting, beiden worden erdoor veranderd. Juist dat punt wantrouwt Levinas. Voor hem dreigt in die wederkerigheid de eerste aanspraak van de Ander al te worden afgezwakt. Zoals in de secundaire literatuur vaker wordt opgemerkt, ligt hier precies zijn bezwaar tegen Buber: in de Ik-Jij-relatie komen beide polen te gemakkelijk op hetzelfde niveau te staan, terwijl Levinas wil vasthouden aan een verhouding die niet begint in gelijkheid, maar in verschuldigdheid.

Daarmee is de discussie niet afgedaan. De vraag blijft of Levinas’ asymmetrie zich wel voldoende laat vertalen naar het concrete samenleven. Ook dat bezwaar is bekend: sociale relaties zijn wederkerig, terwijl dat bij Levinas face-to-face nadrukkelijk niet zo is. Zodra de derde in beeld komt, ontstaan vergelijking, afweging, rechtvaardigheid en samenleving. Dan volstaat een zuiver asymmetrische verhouding niet meer. Dat bezwaar lijkt mij serieus. Het maakt Levinas niet minder belangrijk, maar wel moeilijker. Zijn denken biedt geen comfortabele moraal. Het houdt iets open dat zich niet zonder wrijving in het leven tussen mensen laat inpassen. Misschien is het precies in die wrijving dat zichtbaar wordt wat Burggraeve de kleine goedheid noemt, geen oplossing van die spanning, maar een kwetsbare manier waarop mensen elkaar toch blijven behoeden. Niet groots en niet sluitend, maar in kleine, concrete gebaren waarin iets van verantwoordelijkheid gestalte krijgt.

Bernasconi en het overschot van de ontmoeting

Robert Bernasconi is hier voor mij behulpzaam, juist omdat hij die wrijving niet probeert glad te strijken. In zijn werk over Levinas en Buber laat hij zien dat hun verschil niet alleen een theoretisch meningsverschil is. Er wordt ook zichtbaar hoe moeilijk het is om de ontmoeting met de Ander volledig in woorden te vatten. Zodra wij de ontmoeting beschrijven, thematiseren of systematiseren, hebben wij haar al in een vorm gebracht. Daarvóór was er al iets gaande.

Bernasconi verbindt dat met Levinas’ onderscheid tussen le dire en le dit, het Zeggen en het Gezegde. Er is in de aanspreking van de Ander altijd iets dat niet volledig opgaat in wat er later over gezegd wordt. Dat overschot probeert Levinas vast te houden. (2)

Daar begrijp ik zijn asymmetrie misschien het best. Niet als een sluitende these over alle menselijke verhoudingen, maar als een poging om een eerste morele schok niet kwijt te raken. De Ander verschijnt niet alleen als gesprekspartner of medeburger, maar ook als iemand die mijn vanzelfsprekende positie verstoort. Dat is een ervaring die veel mensen herkennen, ook als zij die niet zo zouden formuleren.

Het middelpunt verliest zijn vanzelfsprekendheid

Mijn oorspronkelijke vraag krijgt daarmee een andere vorm. Het gaat niet meer om een eenvoudige verplaatsing van het middelpunt. Het gaat over het verlies van een vanzelfsprekend middelpunt. Het ik blijft aanwezig, maar staat niet langer onaangetast op de eerste plaats. De ontmoeting met de Ander brengt een verschuiving aan in de orde van het denken. Begrijpen blijft belangrijk, maar het komt niet meer als eerste. Eerst is er de aanspraak. Daarna pas volgt het werk van verstaan, wegen, antwoorden en recht doen.

Tot zover laat deze reeks vooral zien hoe Levinas de plaats van het ik corrigeert. Het subject verdwijnt niet, maar verliest zijn vanzelfsprekende voorrang. Precies daarom is asymmetrie voor hem zo wezenlijk. Zij houdt vast dat de Ander ons al heeft aangesproken voordat wij tot evenwicht, afweging of ordening zijn gekomen.

Vooruitblik

In het volgende deel wordt die gedachte verder op de proef gesteld. Dan verschijnt de Ander niet meer alleen. Dan komt ook le tiers in beeld, de derde, met wie vergelijking, afweging en rechtvaardigheid onvermijdelijk worden. Want de Ander staat nooit alleen.

Foto: Goffredo Crollalanza on Unsplash

Noten

  1. Emmanuel Levinas, Totaliteit en oneindigheid. Essay over de exterioriteit, vert. Theo de Boer en Chris Bremmers (Baarn: Ambo, 1987).
  2. Emmanuel Levinas, Anders dan zijn of het wezen voorbij, vert. Ab Kalshoven (Baarn: Ambo, 1991).
  3. Roger Burggraeve, Geen toekomst zonder kleine goedheid (Leuven: Otheo 2020)
  4. Robert Bernasconi, “Failure of Communication as a Surplus: Dialogue and Lack of Dialogue between Buber and Levinas,” in Robert Bernasconi en David Wood (red.), The Provocation of Levinas: Rethinking the Other (New York/London: Routledge, 1988).
  5. Poirié, F. Nederlandse editie: Emmanuel Levinas aan het woord (2006)