De grond onder het denken

Dit deel gaat over de intellectuele bedding van Levinas’ denken. Maar voordat ik daarop inga, wil ik iets zeggen over de wortels van mijn eigen kennismaking met zijn denken. Drie mensen hebben daarin een rol gespeeld.

Mijn grootste inspiratiebron is Roger Burggraeve, moraaltheoloog, ethicus en een van de belangrijkste Levinas-lezers in het Nederlandse taalgebied. In een maandenlange correspondentie heeft hij mij niet alleen geholpen Levinas beter te begrijpen, maar vooral anders te lezen. Hij wees mij er steeds opnieuw op dat Levinas’ denken niet begint bij abstracte begrippen, maar in prefilosofische ervaringen: in wat mensen overkomt, in kwetsbaarheid, in de ervaring van aangesproken worden, in wat aan het denken voorafgaat. Door Roger ben ik Levinas steeds minder gaan lezen als een gesloten filosofisch systeem en steeds meer als een denken dat geworteld is in leven, literatuur, religieuze bronnen, geschiedenis en concrete verantwoordelijkheid. Dat is ook wat zijn boek Geen toekomst zonder kleine goedheid voor mij heeft verdiept. Het hielp mij zien dat ethiek bij Levinas verschijnt in het concrete samenleven, in de kleine en vaak kwetsbare manier waarop mensen elkaar al dan niet recht doen. (1)

De boeken van Jan Keij brachten mij voor het eerst in aanraking met Levinas, en zijn college tijdens de opleiding aan de ISVW in 2017 kreeg dat lezen meer richting en samenhang. (2)

Ook de ontmoetingen met Dirk De Wachter verdienen hier vermelding. Tijdens enkele dagen samen in 2018, in de omgeving van Avignon bij Centre Erasme, werd voor mij opnieuw zichtbaar hoe Levinas’ denken over de ander niet binnen de muren van de filosofie blijft. In het licht van De Wachters Borderline Times kreeg het ook maatschappelijke scherpte: de vraag naar de Ander is tegelijk een vraag naar de manier waarop wij samenleven in een kwetsbare en ontregelde tijd. (3)

Dat alles neem ik mee in dit deel. In deel 2 ging het om het leven waaruit Levinas opkwam. Hier gaat het om het denken waardoor hij eerst werd gevormd en waartegen hij zich later ook moest afzetten. Wie Levinas wil begrijpen, moet daarom niet alleen weten waar hij biografisch vandaan komt, maar ook intellectueel. Levinas is gevormd door de fenomenologie, de filosofische traditie die aan het begin van de twintigste eeuw een nieuwe manier van denken over ervaring opende. Zonder die achtergrond blijven begrippen als le visage (het Gelaat) en altérité (radicale andersheid) te gemakkelijk zweven. Ook de vraag die door deze reeks heen loopt, wordt hier volgens mij steeds beter beantwoord: wat gebeurt er met ons denken als de Ander werkelijk het middelpunt wordt, en niet wijzelf?

Dus: wat is fenomenologie, wat nam Levinas ervan over, en waar week hij fundamenteel af?

Terug naar de dingen zelf

Fenomenologie is, eenvoudig gezegd, een manier van denken die terug wil naar de ervaring zoals die zich aan ons voordoet, voordat wij haar vastleggen in theorieën, verklaringen of systemen. Zij vraagt niet als eerste wat iets objectief is, maar hoe iets verschijnt in het bewustzijn, in de waarneming, in het beleven. Daarmee verschuift de aandacht van kant-en-klare kennis naar de wijze waarop werkelijkheid voor ons betekenis krijgt. Voor Levinas was dat van groot belang, omdat hij juist in die aandacht voor het verschijnen een denkvorm vond die nauwkeurig genoeg was om ook de ontmoeting met de Ander serieus te nemen. Tegelijk zou hij later zeggen dat de fenomenologie daarin niet ver genoeg ging. (9)

Bij Husserl begint voor Levinas wat hij later zijn fenomenologisch avontuur noemt, een weg die voor hem “onontkoombaar” werd. (4) Het drukt een ervaring van noodzakelijkheid uit. Alsof hij hier een manier van denken aantrof waar hij niet meer buiten kon.

Wat hem in Husserl trof, was een nieuwe manier van denken, geen nieuw systeem. Levinas zegt dat de fenomenologie hem toegang gaf tot een andere verhouding tot wat verschijnt. (4) Daar ligt voor mij de kern. Zij vraagt om aandacht, om vertraging, om beschrijving.

Dat past bij Husserls bekende oproep: terug naar de dingen zelf. Daarmee bedoelt hij dat het gaat om een terugkeer naar de dingen zoals zij zich in de ervaring geven, voordat wij ze vastleggen in kant-en-klare theorieën of verklaringen. Husserl verbindt dat aan de epochè, de opschorting van het vanzelfsprekende, en aan de intentionaliteit, de gerichtheid van het bewustzijn. (5) Het inzicht is eenvoudig geformuleerd, maar vergaand in zijn consequenties: bewustzijn is altijd bewustzijn van iets. Kijken is kijken naar iets. Denken is denken over iets. Hopen, vrezen, herinneren, verlangen: ook dat alles heeft een gerichtheid.

De consequentie daarvan is groter dan het op het eerste gezicht lijkt. Husserl wil daarmee zeggen dat de werkelijkheid voor ons altijd verschijnt op een bepaalde wijze: als waargenomen, herinnerd, gevreesd, gehoopt of gedacht. Fenomenologie onderzoekt die samenhang tussen wat verschijnt en de manier waarop het verschijnt. Wij kijken dus nooit helemaal neutraal. Er is altijd al gerichtheid, betrokkenheid, selectie, betekenis. En dat geldt ook voor de Ander. Maar juist hier is nuance nodig: bij Husserl verschijnt de Ander niet eenvoudig als een object in mijn blikveld, maar als een ander ik, een alter ego, een ander centrum van ervaring dat zich binnen mijn ervaringshorizon aandient. (6)

In het interview met François Poirié zegt Levinas hierover iets wat ik wel verhelderend vind. Fenomenologie blijft niet staan bij het object als geïsoleerd voorwerp. Zij vraagt aandacht voor de intentie waarin het object verschijnt, en vervolgens voor het hele “toneel van verschijnen” dat daarin meegegeven wordt. (4) Levinas gebruikt daar de term mise-en-scène voor. Het gaat om wat ik zie, maar ook om de context, de gerichtheid, de sfeer en de betekenisvelden die in dat verschijnen al meekomen.

Daarmee krijgt de fenomenologie meteen een ruimere betekenis. Zij wordt een oefening in ontvankelijkheid. Een manier van kijken die zich niet blindstaart op het voorwerp alleen, maar oog krijgt voor context, intentie, implicatie en verhulde betekenis. Levinas’ vroege studie La théorie de l’intuition dans la phénoménologie de Husserl laat zien hoe diepgaand hij door die beweging is gevormd. (7) Levinas komt niet van buitenaf kritiek leveren op de fenomenologie. Hij is er eerst grondig door gevormd.

Freiburg

In Freiburg ontmoet Levinas niet alleen Husserl, maar ook Heidegger. Zelf vat hij dat later samen in één zin: hij was naar Husserl gegaan en had Heidegger gevonden. (4) Husserl opent voor hem de weg. Heidegger geeft aan die weg een radicaliteit en een intensiteit die hij onmiddellijk herkent.

Heidegger neemt de fenomenologische methode over, maar stelt haar in dienst van een andere vraag: wat betekent het om te zijn? In Sein und Zeit uit 1927 laat hij zien hoe het menselijk bestaan, dat hij Dasein noemt, nooit losstaat van de wereld, maar altijd al geworpen is in een samenhang van betekenissen, gewoonten en anderen. (8) Het alledaagse leven speelt zich af in wat hij das Man noemt: de gedeelde taal, de onuitgesproken verwachtingen en de vanzelfsprekende omgangsvormen waarbinnen wij leven. Authenticiteit betekent bij Heidegger alleen maar een ontsnapping aan dat alledaagse, maar ook een andere, eigenlijke verhouding tot het bestaan waarvoor men zelf instaat. (8)

Over Heidegger spreekt Levinas met een bewondering. Hij zegt dat hij meteen wist dat Heidegger een van de grootste filosofen was, naast Plato, Kant, Hegel en Bergson. (4) Heidegger is in de ruimte van het denken, zegt hij, nooit afwezig. In het gesprek met Poirié zegt hij dat in Sein und Zeit bijna elke bladzijde een vernieuwing was: de analyse van de affectiviteit, de nieuwe toegang tot het alledaagse, het onderscheid tussen zijn en zijnde, de nauwkeurigheid van het formuleren, absoluut indrukwekkend. (4)

Tegelijk zegt Levinas zonder omwegen dat hij de verhouding tussen Heidegger en het nationaalsocialisme onmogelijk kan vergeten. (4) Elders in hetzelfde gesprek spreekt hij over de afschuw van de Tweede Wereldoorlog. (4)

Beide lijnen blijven samen zichtbaar. Filosofische grootheid en morele afschuw staan hier naast elkaar, zonder elkaar op te heffen.

Waar het denken gaat wringen

Juist hier ontstaat de spanning die later voor Levinas beslissend wordt.

Hoe verschillend Husserl en Heidegger ook zijn, bij beiden blijft de analyse in zekere zin uitgaan van het eigen bestaan of van de eigen ervaringshorizon. De werkelijkheid wordt beschreven vanuit de wijze waarop zij voor het subject of voor het menselijke bestaan verschijnt. Ook de ander komt zo in beeld binnen een horizon van verstaan. Bij Husserl verschijnt de Ander als alter ego, binnen de structuur van mijn ervaringswereld. Bij Heidegger verschijnt de medemens binnen de gedeelde wereld waarin wij altijd al leven. Levinas zal later veel van de westerse filosofie, en ook belangrijke delen van de fenomenologie, als “egologisch” typeren: het vertrekpunt blijft het zelf, en de ander wordt uiteindelijk vanuit die horizon gedacht. (9)

Voor Levinas is dat niet genoeg. Voor hem is de Ander niet in de eerste plaats iemand die ik begrijp of een plaats geef binnen mijn wereld. De Ander is juist degene die zich niet laat terugbrengen tot wat ik al ken. De Ander blijft werkelijk anders, en spreekt mij juist enorm aan.

Belangrijk is wel dat Levinas Husserl niet zomaar terzijde schuift. Hij drijft een beweging die in de fenomenologie al aanwezig is, verder door. De gerichtheid op het andere wordt bij hem zo radicaal dat zij niet meer begint bij mijn bewustzijn. In de ontmoeting met de Ander gaat het om het feit dat ik al ben aangesproken voordat ik de Ander heb kunnen plaatsen of begrijpen.

Burggraeve spreekt hier over een frémissement, een huivering: het moment waarop je beseft dat de ander jou al bereikt heeft voordat jij greep op de situatie kreeg. (10) Dat is voor Levinas het begin van ethiek. Niet in mijn initiatief, maar in het feit dat mijn vanzelfsprekende voorrang wordt doorbroken.

Die verhouding is bovendien asymmetrisch. De Ander staat tegenover mij als een appèl dat ik niet zelf heb opgeroepen en dat ik ook niet eenvoudig kan ontwijken. Juist daarom is Levinas terughoudend tegenover het idee van wederkerigheid wanneer dat als eerste principe wordt opgevat. Zodra verantwoordelijkheid alleen nog wordt gedacht als iets tussen gelijken, als iets wat over en weer in balans moet zijn, dreigt de eigen aanspraak van de Ander weer afgezwakt te worden. Precies dat wil Levinas voorkomen. Tegelijk verdwijnt daarmee de vraag naar recht en gelijkheid niet. Zodra ook “de derde” in beeld komt, worden vergelijking, rechtvaardigheid en instituties onvermijdelijk. Maar ethisch gezien heeft voor Levinas niet de wederkerigheid het eerste woord, maar de verantwoordelijkheid voor de ander. (9)

Wat de fenomenologie Levinas gaf

Juist daarom blijft de fenomenologie voor Levinas van grote betekenis. Zij leerde hem nauwkeurig kijken naar wat zich in de ervaring laat zien, zonder daar te snel een conclusie overheen te leggen. Husserl bracht hem de discipline van het beschrijven. Heidegger liet hem zien dat menselijk bestaan nooit losstaat van de wereld, maar altijd al betrokken, gesitueerd en verweven is.

Dat neemt Levinas niet simpelweg over; hij buigt het om. De zorgvuldigheid van de fenomenologie gebruikt hij om zichtbaar te maken wat er gebeurt in de ontmoeting met de ander. En Heideggers inzicht dat wij altijd al in de wereld staan, verschuift bij Levinas naar iets anders: wij staan niet alleen in een wereld, maar ook altijd al in verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid overkomt ons in de ontmoeting met de Ander. (9)

Levinas staat dus niet buiten de fenomenologie. Hij komt eruit voort en blijft er ook veel aan verschuldigd. Hij neemt haar ernst, haar aandacht en haar discipline mee. Hij gebruikt haar om zichtbaar te maken dat de Ander méér is dan wat binnen mijn denken of mijn wereld past.

Daarin ligt de eigen beweging van zijn werk. Het vertrekpunt verschuift. Niet het ik heeft als eerste het woord, maar het wordt onderbroken door de Ander, die mij al heeft aangesproken voordat ik goed en wel begonnen ben te begrijpen wat er gebeurt.

De vraag die terugkeert

Aan het einde van dit deel wordt nu duidelijker wat er op het spel staat wanneer de aanspraak van de Ander werkelijk serieus genomen wordt. Dan verandert ook de manier waarop ik mijzelf, de Ander en verantwoordelijkheid begrijp.

Dat is wat Levinas zichtbaar probeert te maken. De verhouding tot de Ander begint bij een aanspraak die aan mijn keuze of initiatief voorafgaat. Ik ben al aangesproken voordat ik antwoord geef, en juist daarin verschuift mijn positie als vanzelfsprekend middelpunt.

De fenomenologie gaf Levinas de taal en de scherpte om dat zorgvuldig te doordenken. Maar zij bracht hem niet helemaal waar hij wilde zijn, omdat zij het subject en zijn eigen horizon van verstaan te centraal bleef stellen. Daarom moest hij haar ombuigen: weg van het ik dat begrijpt, naar de Ander die mij aanspreekt voordat ik greep heb op wat er gebeurt. (9)

In de rest van deze reeks werk ik verder uit wat dat betekent. In het volgende deel verschuift de aandacht naar een dragend motief in Levinas’ denken: de asymmetrie. Daar wordt zichtbaar dat de verhouding tot de Ander berust op een oorspronkelijk niet-symmetrische verantwoordelijkheid, die aan elke wederkerigheid of gelijkheid voorafgaat.

Kunst: Paul Cézanne, Mont Sainte-Victoire, 1904

Noten

(1) Burggraeve, R. (2020). Geen toekomst zonder kleine goedheid. Hoop in tijden van wanhoop. Antwerpen: Halewijn; aangevuld met persoonlijke correspondentie.

(2) Keij, J. De filosofie van Emmanuel Levinas.

(3) De Wachter, D. Borderline Times.

(4) Poirié, F. (1987). Emmanuel Levinas. Qui êtes-vous? Lyon: La Manufacture. Nederlandse editie: Emmanuel Levinas aan het woord (2006),
Voor Levinas’ opmerkingen over zijn fenomenologisch avontuur, Husserl als “nieuwe manier van denken”, de mise-en-scène, zijn uitspraak dat hij naar Husserl ging en Heidegger vond, zijn waardering van Sein und Zeit, en zijn blijvende afschuw over 1933.

(5) Husserl, E. (1913). Ideen zu einer reinen Phänomenologie und phänomenologischen Philosophie. Erstes Buch (Ideeën I).

(6) Husserl, E. Cartesianische Meditationen, in het bijzonder de vijfde meditatie.

(7) Levinas, E. (1930). La théorie de l’intuition dans la phénoménologie de Husserl. Parijs: Vrin.
(8) Heidegger, M. (1927). Sein und Zeit. Nederlandse vertaling: Zijn en tijd, vert. Mark Wildschut (Nijmegen: SUN, 2009)

(9) Levinas, E. (1961). Totalité et Infini. Essai sur l’extériorité. Nederlandse vertaling: Totaliteit en oneindigheid. Essay over de uitwendigheid (Amsterdam: Boom, 2012), en Levinas, E. (1974). Autrement qu’être ou au-delà de l’essence.

(10) Burggraeve, R. Persoonlijke correspondentie