De goede dood

Met een bevolkingsgroep die steeds maar ouder wordt, komt ook de vraag naar boven hoe je op een goede manier oud wordt. De kranten staan er vol mee, discussies online en offline.  Seneca (± 4 v.Chr. – 65 n.Chr.) stelde deze vragen al.  Hij worstelt met het ouder worden en met zichzelf. Maar in plaats van die emoties weg te stoppen of te negeren, probeert hij met ze om te gaan, ze te begrijpen en ze een plek te geven. Hij vindt dat mensen hun tijd goed moeten gebruiken en moeten blijven leren. Daar hoort voor hem ook bij dat we de dood voor ogen moeten houden.

Seneca kampte met zware aanvallen van benauwdheid. Het is niet duidelijk of het astma, tuberculose of een andere ziekte was. Maar hij had er zoveel last van dat het hem regelmatig fataal leek te worden.

Hij vond als stoïcijn, dat je niet teveel waarde aan het leven moet hechten, omdat het leven op zichzelf geen doel mag zijn. Zijn stelling was dat het belangrijk is om goed te leven, niet perse lang. In een van zijn brieven aan zijn vriend Lucilius schrijft hij:

 ‘Wat een domheid om verbaasd te zijn als op een dag gebeurt wat er elke dag gebeuren kan. Ergens ligt er voor ons wel een grens, namelijk waar die is vastgelegd door de onverbiddelijke noodzaak van het lot, maar niemand van ons weet hoe dicht hij zich bij die grens bevindt’.

Je instellen op je levenseinde omdat je, zoals Youp van ’t Hek het zong, niet weet hoe laat het is, is een belangrijke stoïcijnse opdracht. Seneca gelooft, net als Aurelius en Epictetus, dat je alleen maar in vrijheid kan leven als met je angst voor de dood afrekent.

‘Lang genoeg geleefd te hebben is geen kwestie van het aantal dagen
of jaren maar van de geest. Mijn eigen leven, beste Lucilius, is lang genoeg geweest. Ik ben ervan verzadigd en zie de dood tegemoet.’ En in een latere brief voegde hij daaraan toe: ‘Wat geldt voor een toneelstuk, geldt ook voor het leven: het gaat er niet om hoe lang het duurt, maar hoe goed de opvoering is. Het maakt niets uit op welk punt je stopt. Stop waar je wilt, zorg alleen voor een goede slotscène.’

Het gaat hem dus eigenlijk om het goede leven; om wat we tegenwoordig kwaliteit van leven noemen. De goede slotscène zou je kunnen interpreteren als de goede dood. In die tijd was het vooral dood gaan in stijl, wat je daar dan ook onder mag verstaan.

Voor de volgelingen van Epicurus ( 341 v. Chr. – 271 v. Chr) was de kwaliteit van het bestaan bepalend voor het antwoord op de vraag of iemand uit het leven mocht stappen. Zo is het eveneens onzinnig om de dood te vrezen – ‘zolang wij er zijn, is de dood er niet, en wanneer de dood gekomen is, zijn wij er niet meer’, zei Epicurus. Seneca onderschrijft dit epicurische zelfbeschikkingsrecht:

‘Wij zijn in niemands macht zolang het sterven in onze macht is.’

Zelfdoding was geen taboe was voor de stoïcijnen. Seneca heeft zichzelf meermalen van het leven willen beroven, maar zag hiervan af uit consideratie voor zijn vader.

Hij werd echter in 65 tot zelfmoord gedwongen, op beschuldiging van deelname aan samenzwering tegen keizer Nero.